maandag 21 juni 2010

Diverse klankvesjes

Ahoei ahoei ahoei,
Ik waai ik gier ik loei
Ik ben de wind,
De gierende wind.
De hevige wind,
Het hemelse kind
Ahoei ahoei ahoei,
Ik waai ik gier ik loei
H. IJzerman











Onweer - allliteratie van medeklinkers en gevoelswaarden van klinkers.

Flitsende lichten klieven door
Rollende wolken grauw en grijs
Woelige woeste wateren
Wilde golven kletteren en klateren
Word jij soms bedolven onder de golven?
Nee, de wilde winden gaan weer liggen
Zachtjes wiegt het bootje op de wijde oceaan
Stralende zonneschijn in de blauwe hemel
Rust is weer gekeerd
H. IJzerman





 
Plep, plap, plip daar kom ik in een wip.
Plep, plap, plop daar kom ik in galop.
Plep, plip, plap daar kom ik op de trap.
Plet, plat, pluit,spet, spat, spuit.
Daar kom ik het water uit.






Waterschap houdt adem in: hoeveel regen komt er nog?

Tik tik tak, tik tik tak,             
tikt de regen tegen het dak.
tik tik tak, tik tik tak
tikt het telkens op de tegels                
op de tegels telkens weer.


 Kraan- of stellingzaag. Uit: Bernard van Dam, Brabants Dorpsleven



De timmerman zaagt met zijn zig-zag zaag
Met zijn zingende, zwingende zig-zag-zaag
Hij zwetst niet, hij kletst niet,
Hij zwoegt toch zo graag
Met zijn zingende, zwingende zig-zag-zaag
  
De timmerman schaaft met zijn schaaf zo scherp,                                          
Hij schaaft zo licht en zonder gesnerp.                                            
Hij schaaft niet schuin, niet schots, niet scheef,                                           
Maar vlak en nergens over de schreef.    

 

Een verhaaltje bij meerdere letterbeelden

Een verhaal bij de letterbeelden K, J, H, F, G, L, S, B en N
Er was eens een koning die heel graag op jacht ging. Toen hij een kleine jongen was kreeg hij van zijn vader een prachtige jachthoorn. Het was een mooie hoorn, met goud beslagen. Iedere keer als een jachtpartij aangekondigd moest worden, blies de koning zelf op de jachthoorn om alle jagers bijeen te roepen om op jacht te gaan. Dan kwamen ze allen en vertrokken samen naar het bos. Wanneer iedereen in het bos aan het jagen was en het werd weer tijd om naar huis te gaan, moesten ze weer op een plek verzamelen. Dan blies de koning op zijn kostbare jachthoorn om iedereen bijeen te roepen. Het was te gevaarlijk om s ’nachts in het bos te blijven. Er waren vele wilde dieren zoals beren, wolven en slangen in het bos.

Op een dag waren alle jagers weer samen met de koning op jacht gegaan, en het begon al een beetje te schemeren. Ze waren een beetje te laat, het werd echt tijd om te vertrekken! De koning pakte zijn jachthoorn en blies. Van overal kwamen de jagers aan. Alles werd weer opgepakt en ze waren net zover dat ze wilde vertrekken, maar ze wachten nog op een van de jagers, Jos genaamd. De koning blies weer een keer op zijn hoorn. De koning hing zijn hoorn aan een tak en bukte om zijn boog op te pakken en om zijn lijf te zetten zoals jagers het altijd doen wanneer zij omderweg waren. Op hetzelfde ogenblik sprong er ineens een grote bruine beer uit de bosjes. Iedereen schrok en sprong meteen op hun paard en galoppeerde zo snel als mogelijk weg!

Pas toen zij al lang weer allen thuis waren en de koning al in zijn paleis zat te luisteren naar de muzikanten die hem altijd in de avond vermaakte met mooi muziek en prachtige liederen en ballades, schoot het hem ineens te binnen dat hij zijn jachthoorn in de boom, aan een tak, heb vergeten!

O wat een ellende! De koning was radeloos. Hij was ook boos op jager Jos, want het was zijn schuld dat ze daar noch zo laat hebben moeten blijven, in dat gevaarlijk bos! En daardoor hangt zijn jachthoorn nu daar, midden in de nacht, aan een tak! Er kan van alles mee gebeuren! Dieven kunnen het mooie met goudbeslagen jachthoorn wel meenemen, of wilde dieren kunnen het te pakken krijgen en er mee vandoor gaan! En zo gebeurde het dat de dienaren naar het huis van jager Jos gingen, om aan hem te vertellen wat gebeurt is en om aan hen te zeggen dat hij maar een plan moet maken om de jachthoorn van de koning zo snel mogelijk terug te bezorgen aan de koning…….

Intussen was jager Jos al lang in bed! Hij wist van niets. Hij was moe van het jagen en kroop al vroeg tussen de veren! Ineens hoorde hij zijn ganzen heel luid roepen. Gak gak gak, klonk het buiten in de donkere nacht. Ganzen zijn goede waakdieren en als ze zo tekeer gaan, is er iets aan de hand! Er zijn vreemdelingen op de werf! Misschien zijn het schapendieven of misschien is het een vos bij het kippenhok. Hij sprong uit bed, en in zijn haast haakte zijn voet aan de laken en scheurde de laken met een girrrrts - daar zat een grote scheur in! Jager Jos stak een licht aan en liep, met zijn licht, naar buiten om te kijken wat er aan de hand is. Buiten zag hij een aantal dienaren van de koning, ze hadden fakkels bij zich. Wat zou er toch gebeurd zijn? Snel vertelde de boodschappers dat de koning in zijn haast zijn gouden jachthoorn in het bos, aan een tak, heeft laten hangen. Jager Jos weet meteen wat hem te doen staat. Er zit niets anders op. Hij moet het bos in, ook al is het diep in de nacht. Hij moet naar de jachthoorn van de koning gaan zoeken, en het weer terug bezorgen aan de koning.

Een van de dienaren gaf hem een fakkel. Hij sprong op zijn paard en vertrok, richting bos. Met bonkend hart kwam hij aan de rand van het bos aan. Voorzichtig reed hij verder, steeds met zijn fakkel omhoog gehouden zodat hij zo goed als mogelijk om hem heen kon zien. Het was heel stil in het bos, maar op een keer hoorde hij wel een sissend geluid….ssssssss Het paard schrok en stopte in zijn sporen. Na een tijdje durft het paard weer verder te gaan. De slang heeft zeker een muis gezien en is aan het jagen, dacht jager Jos. Hij rijdt verder en zoekt naar de boom waar ze die middag laat met zijn allen bij elkaar waren gekomen. Met zijn fakkel omhoog gehouden ging hij steeds verder het bos in. Ineens zag hij iets schitteren in een boom. Hij ging voorzichtig nader en ja, hoor! Daar hing de gouden jachthoorn van de koning in een boom.

 Net toen hij met zijn paard onder de boom stond en zijn arm uitstak naar de jachthoorn, sprong dezelfde bruine beer weer uit de bosjes vlakbij! Wat niemand wist, is dat daar een bijen nest in de boom was, en daarom blijft de beer ook steeds daar in de omgeving van de boom. Beren lusten namelijk heel graag honing! En waar een bijen nest is, is honing!

Jager Jos schrok, greep nog even naar de jachthoorn en daar brak de tak van de boom! Met tak en jachthoorn samen reed hij zo snel hij kon het bos uit! In de schrik liet hij zijn fakkel vallen maar het deerde niet. Zijn paard vond de weg wel.

Zo kwam hij tegen lichtdag bij het paleis aan. Gelukkig was de jachthoorn niet beschadigd en kon hij het weer aan de koning terug bezorgen! De koning was uiteraard heel blij dat hij zijn jachthoorn weer terug had.

En toen jager Jos tuis kwam, was zijn vrouw al weer bezig om de gescheurde laken met een naald en draad dicht te naaien. Zij was blij om haar man weer levend terug te zien. Wat een gevaarlijke avontuur! Gelukkig was zij zo blij om Jos terug te zien, dat zij niet boos was over de gescheurde laken. Zij naaide het weer zo goed als nieuw, met haar naald.Jager Jos zorgde vanaf die dag wel dat hij altijd op tijd weer bij de versamenplaats aankwam na een jachtsessie.

vrijdag 18 juni 2010

Z

De zes zwanen

De gebroeders Grimm

Een koning jaagde eens in een heel groot bos en zette een hert met zoveel drift na, dat geen van de jagers hem bij kon houden. Toen de avond viel, hield hij zijn paard in, keek om zich heen en zag dat hij verdwaald was. Hij zocht een uitweg, maar kon er geen vinden. Opeens kwam er een oude vrouw aan met een wiebelhoofd, die op hem afkwam; maar dat was een heks.
“Vrouwtje,” zei de koning, “kun je me de weg niet wijzen?”

“Ja zeker, heer koning,” zei ze, “dat kan ik best. Maar op één voorwaarde. Vervult u die voorwaarde niet, dan komt u het bos nooit meer uit – en moet u van honger sterven.”

“Wat is dat dan voor een voorwaarde?” vroeg de koning.

“Ik heb een dochter,” zei het oude mens, “en ze is zo mooi, er is geen mooier meisje op de wereld, en ze verdient het, uw vrouw te worden; als u haar tot koningin maakt, dan wijs ik u de weg uit het bos.”

In zijn angst stemde de koning daarmee in en het oudje bracht hem naar haar huisje, waar haar dochter bij het vuur zat. Ze ontving de koning alsof ze hem al verwacht had, hij zag wel dat ze mooi was, maar helemaal beviel ze hem niet, en hij kon haar zonder een gevoel van afgrijzen niet aankijken. Maar hij hief het meisje voor zich op het paard, de oude vrouw wees hem de weg, en de koning bereikte het koninklijk slot weer, waar de bruiloft werd gevierd.

Nu was de koning al eens getrouwd geweest, en bij zijn eerste vrouw had hij zeven kinderen, zes jongens en een meisje. Die waren hem het liefst van alles op de wereld. Maar hij was bang dat de stiefmoeder hen niet goed zou behandelen, of hen zelfs kwaad kon doen; daarom bracht hij hen naar een eenzaam slot, dat midden in een bos stond. Het lag zo verscholen, en de weg erheen was zo moeilijk te vinden, dat hij er zelf nooit gekomen zou zijn, als niet een wijze vrouw hem een kluwen garen gegeven had van wonderlijke kracht. Als je die vóór je uit gooide, liep hij vanzelf uit en wees de weg.

Nu ging de koning zo dikwijls naar zijn zeven kinderen toe dat de koningin argwaan kreeg, ze wilde weten wat hij altijd zo alleen in dat bos deed. Zo gaf ze aan een lakei een massa geld en die verried haar ‘t geheim en vertelde ook van die kluwen die alleen vooruit rolde en de weg wees. Nu had ze geen rust, tot ze uitgevonden had, waar de koning die kluwen bewaarde. Ze maakte toen kleine, witzijden hemdjes, en omdat ze van haar moeder heksenkunsten had geleerd, naaide ze er toverkracht in. En op een keer dat de koning weer op jacht was, nam zij de hemdjes en de kluwen en ging naar het bos, en de kluwen wees haar de weg. De kinderen zagen uit de verte iemand aankomen; ze dachten dat het hun vader was – en juichend holden ze hem tegemoet. Ze wierp elk van hen een hemdje om en toen dat hen aanraakte, veranderden ze in zwanen en vlogen over de bomen weg. De koningin ging opgewekt naar huis en dacht, dat ze nu van die stiefkinderen af was; maar het meisje was niet met de broers naar buiten gekomen, en ze had niets van haar gemerkt. De volgende dag kwam de koning weer op bezoek bij zijn kinderen, maar hij vond alleen het dochtertje.

“Waar zijn de jongens?” vroeg de koning.

“Och vaderlief,” antwoordde ze, “die zijn weg en ze hebben mij alleen gelaten,” en ze vertelde hem, dat ze uit haar kamertje gezien had, hoe haar broers als zwanen over de bomen waren weggevlogen. En ze liet hem de veren zien, die ze in de tuin hadden laten vallen en die ze had opgeraapt. De koning werd heel bedroefd, maar hij kwam niet op de gedachte, dat de koningin die misdaad zou hebben begaan; integendeel, hij was bang dat zijn dochtertje ook nog geroofd zou worden en hij wilde haar mee naar huis nemen. Maar ‘t meisje was bij voorbaat al bang voor de stiefmoeder, en smeekte de koning om tenminste deze nacht nog op het slot in het bos te mogen blijven.

Het arme meisje dacht bij zichzelf: “Blijven doe ik zeker niet. Ik wil de broers gaan zoeken.” En toen het nacht werd, vluchtte ze, en liep zacht het bos in. Ze liep de hele nacht door, en de dag daarop ook, al maar voort, tot ze van vermoeienis niet verder kon. Toen zag ze een jachthut; ze ging erin en vond een kamer met zes kleine bedjes. Ze durfde er niet in gaan liggen, maar ze kroop onder één van de bedjes, op de harde grond, en daar wou ze de nacht doorbrengen. Maar kort voor zonsopgang hoorde ze een geruis en kijk, zes zwanen kwamen het venster binnengevlogen. Ze gingen op de grond staan, ze bliezen naar elkaar en bliezen zichzelf alle veren af, en hun zwanenhuid stroopte af als een hemd. Nu keek het meisje hen aan en ze herkende hen, het waren haar broers en ze kroop onder ‘t bed uit. De broers waren hartelijk blij, toen ze hun zusje zagen – maar hun vreugde duurde maar kort.

“Hier kan je niet blijven,” zeiden ze tegen haar, “want dit is een rovershol. Komen ze thuis en vinden ze je, dan vermoorden ze je.”

“Kunnen jullie me dan niet beschermen?” vroeg het zusje.

“Nee,” zeiden ze, “want we kunnen elke avond maar een kwartier onze zwanengestalte afleggen en dan hebben we mensengedaante, maar meteen worden we weer in zwanen veranderd.” Het zusje begon te schreien en zei: “Maar kunnen jullie dan niet verlost worden?”
“Och nee,” zeiden ze, “dat is veel te moeilijk. Je zou zes jaar lang niet mogen spreken en niet lachen, en je zou in die tijd zes hemden voor ons moeten naaien van asters. Komt er ook maar één enkel woord uit je mond, dan is alles vergeefs geweest.” En nauwelijks hadden de broers die woorden geuit, of het kwartier was om, en ze vlogen als zwanen weer het venster uit.

Maar het meisje had haar besluit genomen. Zij wilde haar broers verlossen, al ging het om haar leven. Ze verliet de jachthut, ging ‘t bos weer in, ging in een boom zitten en bracht daar de nacht door. De volgende morgen ging ze asters zoeken en begon ze te naaien. Praten kon ze toch met niemand, en lachen viel haar niet eens in; ze zat maar en keek naar haar werk. Toen ze daar al een poos zo had geleefd, kwam de koning van ‘t land er jagen; zijn jagers kwamen bij de boom waar het meisje in zat. Ze riepen haar toe en zeiden: “Wie ben je?” Ze gaf geen antwoord. “Kom bij ons,” zeiden ze, “we zullen je niets doen, hoor.” Maar ze schudde ‘t hoofd. Toen ze haar steeds maar met vragen lastig vielen, gooide ze haar gouden ketting naar beneden om hen tevreden te stellen. Nog gingen ze niet weg. Toen liet ze haar gordel vallen; en toen dat geen uitwerking had, haar kousenbanden; en zo het een na het ander, alles wat ze aan had en missen kon. Tenslotte hield ze niets meer aan dan haar hemd. Nog lieten de jagers haar niet met rust, maar ze klommen de boom in, haalden haar naar beneden en brachten haar naar de koning.

De koning vroeg: “Wie bent u? Wat deed u daar in die boom?” Maar ze gaf geen antwoord. Hij vroeg het in andere talen die hij kende, maar zij bleef zo stom als een vis. Maar ze was zo mooi. Het hart van de koning werd bewogen; en hij vatte een grote liefde voor haar op. Hij sloeg zijn eigen mantel om haar heen, zette haar voor zich op het paard, en bracht haar op zijn kasteel. Daar liet hij haar kleden met rijke gewaden; ze straalde nu zo lieflijk als de morgen, maar er was geen woord uit haar te krijgen. Aan tafel liet hij haar naast zich zitten; haar bescheiden en zedige houding maakte zo’n indruk op hem, dat hij zei: “Deze zal ik trouwen, en geen ander op de hele wereld.” En enige dagen later werd het huwelijk voltrokken.

De koning had evenwel een boze moeder. Zij was het niet met dit huwelijk eens, en sprak kwaad van de jonge koningin. “Wie weet waar die meid die niet spreken kan vandaan komt; zij is een koning niet waardig.” Toen de koningin na een jaar haar eerste kind ter wereld bracht, nam de oude vrouw het weg terwijl zij sliep en bestreek haar mond met bloed. Daarop ging zij naar de koning en klaagde de koningin aan, dat zij een menseneetster was. De koning wilde het niet geloven en stond niet toe dat men haar enig leed berokkende. De koningin zat echter voortdurend aan de hemden te naaien en schonk aan niets anders aandacht. Toen zij de volgende keer weer een gezonde jongen ter wereld bracht, pleegde de valse schoonmoeder hetzelfde bedrog, maar de koning kon er niet toe komen enig geloof aan haar woorden te hechten. Hij sprak: “Zij is te vroom en te goed om zoiets te kunnen doen; als zij niet stom was en zij kon zich verdedigen, dan zou haar onschuld aan het licht komen.” Maar toen de oude voor de derde maal het pasgeboren kind roofde en de koningin aanklaagde die geen woord tot haar verdediging uitbracht, kon de koning niet anders doen dan zij aan het gerecht overleveren, dat haar veroordeelde tot de vuurdood.

Toen de dag aanbrak dat het vonnis zou worden voltrokken, was tevens de laatste dag van de zes jaren voorbij, gedurende welke zij niet had mogen spreken of lachen en zij had dus haar geliefde broers uit de macht van de betovering bevrijd. De zes hemden waren gereed, alleen aan het laatste ontbrak nog de linkermouw. Toen zij nu naar de brandstapel gevoerd werd, legde zij de hemden over haar arm en toen zij er bovenop stond en men op het punt stond het vuur aan te steken, keek zij om zich heen: daar kwamen door de lucht zes zwanen aanvliegen. Zij zag dat haar verlossing nabij was en haar hart sprong op van vreugde.

De zwanen ruisten naar haar toe en daalden neer, zodat zij de hemden over hen heen kon werpen en toen zij daardoor werden aangeraakt, vielen hun zwanenhuiden af en haar broers stonden in levenden lijve voor haar en waren jongen schoon; alleen de jongste miste zijn linkerarm en had in plaats daarvan een zwanenvleugel op zijn rug. Zij omhelsden en kusten elkaar en de koningin ging naar de koning, die geheel onthutst was, en zij begon te spreken en zei: “Liefste echtgenoot, nu mag ik spreken en je onthullen dat ik onschuldig ben en valselijk aangeklaagd”, en zij vertelde hem van het bedrog van de oude vrouw die haar drie kinderen had weggenomen en verborgen. Toen werden zij tot grote vreugde van de koning te voorschijn gebracht en de boze schoonmoeder werd voor straf op de brandstapel vastgebonden en tot as verbrand. Maar de koning en de koningin met haar zes broers leefden nog vele jaren in vrede en geluk.

EINDE

Y


De ijsjesletter - hoewel het altijd beter is om de beelden uit de natuur te halen, of minstens een beeld te gebruiken waarmee iets oer menselijks uitgebeeld wordt, kies ik zo nu en dan een ander beeld. De kinderen waren wat ouder en hoewel de ijspegel zich voorheen hier goed toe leende, was dat voor de (stads) kinderen met een ontwikkelingsachterstand een onbekend object. En zo een ijsje spreekt wel erg aan.....

Het is natuurlijk niet een i-grec. Gelukkig brengt Hermien Ijzerman weer uitkomst. Hieronder volgt een verhaal van haar - Ysbrand de smid. Het is vanzelfsprekend weer eens nodig om het te vereenvoudigen voor de kinderen met een ontwikkelingsachterstand. Een heel eenvoudig gedichtje over een smid voldoet ook al. Geeft hem een naam en breng hem tot leven met een paar interessante staaltjes, aansluitend bij de beleveniswereld van de kinderen.



Ijzer

SMID
De hamer slaat, de hamer slaat
Op 't aambeeld hier van vroeg tot laat.
Het vuurtje vlamt nu rood en fel,
De slagen klinken hard en schel,

En wat de smid hier smeedt en doet,
Dat maakt bij goed!
Hij smeedt de ijzers voor het paard,
Hij vormt ze rond en slaat met vaart,
Zijn hamer slaat hij flink en sterk,
Oef hei! - De smid is hier aan 't werk!
Kom mijn paardje, kom hier staan,
Leg ik je de ijzers aan,
't Harde ijzer aan je hoeven,
Dat je straks kunt trekken, zwoegen,
Straks kunt draven bij je werk,
Want je hoeven zijn weer sterk.

'k Sla de spijkers een voor een
Door de kleine gaatjes heen,
Dringen in de hoornen hoef,
Zitten stevig zo en stroef.
Klip, klap, klop, zeg, hoor je 't wel,
Straks draaf jij weer flink en snel.

H. IJ.-v. B.
uit het groene Boeke ‘Gedichten, Spreuken, Oefeningen’

W

Waterletter
W



Wind en water en wilgenboom.
Woest waaien de wilde winden
Wolken worden zwaar en
Golven worden omhoog geworpen.
Wind en water en wilgeboom

V

Vogelletter of vlinderletter
De Vuurvogel
Er was eens een boer die drie zonen had. De twee oudsten waren ijverig en werkte hard op het land. Maar de jongste was lui. Hij liet zijn twee oudste broers werken.
Nu zag de boer op een ochtend, dat van de mooiste boom in zijn boomgaard, de appels waren gestolen.
Dat moest in de nacht gebeurd zijn. Wie was de dief? De daarop volgende nacht gebeurde hetzelfde.
De boer werd boos want de boomgaard was zijn beste bezit.
De oogst beloofde dit jaar juist groot te zullen worden. Hij wilde nu te weten komen, wie de brutale dief was.

Daarom liet hij zijn drie zoons om de beurt in de nacht waken bij de bomen. De oudste moest de eerste nacht de wacht houden. Toen het nacht werd, ging hij onder een van de appelbomen liggen. Maar de volgende ochtend was de appelboom leeg! De oudste broer was in slaap gevalleb en zag niet wie de appels meenam.

Nu was de tweede zoon aan de beurt om te waken. Maar ook hij viel in slaap en zijn appelboom werd leeggeroofd zonder dat hij het merkte.

Toen was de jongste zoon aan de beurt. Hij kondigde aan dat hij heel de dag ging slapen. Dan is hij niet moe in de nacht en kan hij blijven waken.

Toen het avond werd schudden zijn broers hem wakker. Nu ben jij aan de beurt. Kijk maar wat jij daarvan maakt! De jongste broer rekte zich flink uit en gaapte luid. Daarna liep hij regelrecht naar de bijenkorven van zijn vader. De zon ging net onder. De laatste bijen kwamen de korf binnen gevlogen. Ze hebben heel de dag hard gewerkt. Ze bezochten de bloemen om honing te verzamelen. De jongen hield een flesje voor de ingang. Sommige bijen waren al zo moe, dat ze niet eens zagen dat ze in een flesje kropen, in plaats van in de korf. Toen deed de jongen er een doekje over zodat zij er niet meer uit konden vliegen, maar wel konden ademen. Hij nam ook een lang touw mee en ging op een plek zitten waar hij alle bomen in de boomgaard kon zien.

Het was donker geworden. De uren gingen voorbij zonder dat er iets gebeurde. De jongen werd steeds slaperiger van het lange wachten. Hij dommelde bijna in. Gelukkig schrok hij weer wakker en greep naar het flesje. Hij deed het open en de bijen vlogen uit. Zij merkten meteen dat zij niet in de korf waren en werden heel boos. Zij staken de jongen! Zij staken hem in zijn nek, op zijn handen en eentje stak hem zelfs op het puntje van zijn neus! Het brandde erg en daarom sliep hij niet meer in!

Ineens hoorde hij een wild gedruis in de lucht. Wat kan het zijn? Hij keek op en zag een prachtige vogel met vurige vleugels. Hij gaf licht in de duisternis. Het dier vloog over zijn hoofd en streek neer in de top van een appelboom. De glinsterende vogel scherpte zijn snavel op een tak en streek zijn vleugels glad. Toen begon hij een voor een de appels om zich heen weg te pikken.

Zo hier is de dief dus! De jongen nam het touw en gooide het met een handige worp om de vogel heen. Maar het touw verschroeide aan de vlammende vleugels en de vogel kwam weer vrij.

De volgende dag vertelde de jongen aan niemand wat er in de nacht gebeurd was. Zijn broers lachten hem uit want zij dachten dat hij ook in slaap was gevallen als zij. Maar de jongen ging gewoon de volgende nacht weer in de appelboord waken. Hij nam deze keer geen touw, maar ijzerdraad mee. Ook een paar bijen in een flesje ging weer mee! Net als de vorige nacht, hielpen zij hem opnieuw wakker te blijven omdat zij hem staken!

Weer eens hoorde hij de vleugels van de vuurvogel druisen. Het dier ging weer in een appelboom zitten. Toen wierp hij het ijzerdraad zo handig, dat de lus om de vogel glijdt. De vuurvogel stond voor hem. “Geef mij mijn vrijheid terug,” smeekte het dier. “Maar jij roof de appelbomen van mijn vader leeg, ik kan jou niet vrijlaten! “ “Als jij mij vrijlaten, zal ik niet meer de appels van jou vader roven. Ik zal niets meer vernielen en jou dienaar wordt.”

De jongen vertrouwde de vuurvogel en liet hem vrij. “Klim nu op mijn rug, dan neem ik jou naar mijn meesteres.”Maar de jongen was bang dat hij zou branden aan de vlammende vleugels van de vogel. Daarop zei de vogel tegen hem dat hij in de vijver in het bos moeten baden. Dan zal hij niet branden of verschroeien als hij op zijn rug klimmen.

Dat deed de jongen meteen en toen hij op de rug van de vuurvogel klom, brandde of verschroeide hij niet. De vogel nam hem naar een schitterend paleis. Alle deuren stonden open maar er was niemand te zien. Hij liep door de zalen en gangen en kwam in een kamer geheel van marmer. Op een bank lag een beeldschone prinses te slapen. Voorzichtig boog hij over haar en gaf haar een kus op haar voorhoofd. Toen werd zij wakker en keek hem aan. Op dat moment kwam overal in het stille paleis alles tot leven.

Prachtige muziek weerklonk en de dienaren begon meteen een groot bruiloftsfeest voorbereiden. De jongeling werd tot koning uitgeroepen en trouwde met de prinses. Samen leefden zij lang en gelukkig in dat land. De vuurvogel waakte over de koning en koningin en over alle inwoners van het land.


Vuurvogel vuurvogel
Vlieg ver weg.


Vlooi vlooi kijk toch uit, zeg!
Jij springt veels te ver weg!
Verder dan de verste ver,
Straks vindt jij jouw weg terug niet meer.

Ook de vlinder kan als een mogelijke beeld bij de V- klank gebruikt vorden
Liedjes hierbij:


Vertel eens vlinder

Vertel eens vlinder, vertel eens vlinder, waar kom je vandaan
vertel eens vlinder, vertel eens vlinder, iets van je bestaan.
Ik was een rupsje, ik was een rupsje, ik zat op een blad
ik was een rupsje, ik was een rupsje en ik at daar maar wat.
Toen ging ik spinnen, toen ging ik spinnen, ik spon en ik spon
toen ging ik spinnen, toen ging ik spinnen en ik spon een cocon.
Dat is een huisje, dat is een huisje, zo zacht als satijn
dat is een huisje, dat is een huisje en daar sliep ik heel fijn.
Maar op een morgen, maar op een morgen, verloor ik mijn huid
maar op een morgen, maar op een morgen, toen kroop ik er uit.
En toen de zon scheen, en toen de zon scheen, toen merkte ik pas
dat ik een vlinder, dat ik een vlinder, dat ik een vlindertje was.
En ik kon vliegen, en ik kon vliegen, wat ik vroeger niet kon
en ik kon vliegen, en ik kon vliegen, ik vloog naar de zon.

Vlug, vlug vlindertje
Vlug vlug vlindertje
Waar vlieg jij heen?
Ik vlieg naar de zon
En ik groet jou meteen.
Vlug vlug vlindertje
met vleugels lijk dons.
breng dan aan de zon
ook een groetje van ons.


T



TakkeletterT




Tik tak tik
Tok Tok Tok
Takken tikken tegen het raam

S



 
De witte slang   De gebroeders Grimm

Het is nu al heel lang geleden dat er een koning leefde die in het hele land beroemd was om zijn wijsheid. Niets bleef hem onbekend en het leek wel of het nieuws van de meest verborgen dingen door de lucht naar hem toegedragen werd. Hij had echter één zonderlinge gewoonte. Iedere middag, als de tafel was afgeruimd en er niemand meer was, moest een vertrouwde dienaar nog één schotel binnenbrengen. Er was een deksel op en de dienaar wist zelf niet wat er onder lag en niemand wist het, want de koning lichtte het deksel pas op en at er pas van als hij helemaal alleen was. Dat had zo al een hele tijd geduurd, totdat op een dag de dienaar die de schotel moest wegnemen, zó nieuwsgierig werd dat hij de verleiding niet kon weerstaan en de schotel naar zijn kamer bracht. Toen hij de deur zorgvuldig op slot had gedaan, tilde hij het deksel op en zag dat er een witte slang op de schotel lag. Bij het zien daarvan kon hij niet nalaten ervan te proeven. Hij sneed er een stukje af en stak het in zijn mond. Nauwelijks had hij het met zijn tong aangeraakt, of hij hoorde voor zijn venster een wonderlijk gefluister van fijne stemmetjes. Hij liep naar het raam en merkte dat het mussen waren die met elkaar spraken en die elkaar vertelden wat ze zoal in het veld en in het bos hadden gezien. Doordat hij van de slang had gegeten was hij nu in staat de taal der dieren te verstaan.



Nu gebeurde het juist op deze dag dat de koningin haar mooiste ring verloor en de vertrouwde dienaar, die overal toegang had, werd ervan verdacht hem gestolen te hebben. De koning liet hem bij zich komen, schold hem uit en dreigde dat, wanneer hij de volgende morgen de dader niet wist aan te wijzen, hij ervoor zou worden aangezien en berecht worden. Het hielp niets of hij zijn onschuld al betuigde, hij werd zonder meer de kamer uitgestuurd. Hevig verontrust en angstig ging hij naar beneden, de tuin in en dacht erover na, hoe hij zich uit deze nood moest redden. Daar zaten de eenden vredig naast elkaar aan een beekje. Zij streken hun veren glad met hun snavels en voerden een vertrouwelijk gesprek. De dienaar bleef staan luisteren. Zij vertelden elkaar waar zij die morgen zoal hadden rondgescharreld en wat voor lekker voer zij gevonden hadden. Toen zei er een wat bedrukt: “Er is iets wat mij zwaar op de maag ligt. Ik heb een ring die onder het venster van de koningin lag, in de haast mee ingeslikt.” Toen pakte de dienaar de eend meteen bij de nek, bracht hem naar de keuken en zei tegen de kok: “Slacht deze maar, het is een vette.” - “Ja,” zei de kok en woog hem op de hand, “die heeft alle moeite gedaan om zich vet te mesten en die is er allang aan toe gebraden te worden.” Hij sneed zijn kop af en toen hij werd schoongemaakt, vonden zij de ring van de koningin in zijn maag. Nu kon de dienaar zonder moeite zijn onschuld aan de koning bewijzen en - daar deze zijn onrechtvaardigheid weer goed wilde maken, stond hij hem toe een gunst te vragen en hij beloofde hem de hoogste erepost aan zijn hof die hij maar wenste.



De dienaar sloeg alles af en vroeg alleen om een paard en reisgeld, want hij wilde erop uittrekken om wat van de wereld te zien. Toen zijn verzoek was ingewilligd ging hij op weg en kwam op een dag langs een vijver waar hij drie vissen zag die tussen het riet bekneld zaten en naar water hapten. Hoewel ze zeggen dat vissen stom zijn, hoorde hij ze toch klagen dat zij zo ellendig moesten sterven. Daar hij een medelijdend hart had steeg hij van zijn paard en gooide de drie gevangenen weer in het water. Zij spartelden van vreugde, staken hun kop boven het water uit en riepen hem toe: “Wij zullen aan je denken en het je vergelden dat je ons gered hebt.” Hij reed verder en na een poosje scheen het hem toe dat hij voor zijn voeten in het zand een stem hoorde. Hij luisterde en hoorde de koning van de mieren klagen: “Als de mensen ons nu maar met die lompe dieren van het lijf bleven. Daar trapt dat domme paard met zijn zware hoeven zo maar, zonder mededogen mijn onderdanen dood.” Hij reed een zijweg in en de koning van de mieren riep hem toe: “Wij zullen aan je denken en het je vergelden.” Zijn weg voerde door een bos waar hij een ravenvader en een ravenmoeder zag die bezig waren hun jongen uit het nest te werpen. “Weg met jullie, galgenbrokken,” riepen zij, “wij kunnen jullie niet blijven voeden, jullie zijn groot genoeg om zelf voedsel te zoeken.” De arme jongen lagen op de grond, fladderden en sloegen met hun vleugels en riepen: “Moeten wij, hulpeloze kinderen, zelf ons voedsel zoeken, wij kunnen nog niet eens vliegen. Wij zullen hier van honger moeten sterven.” De brave jongeling steeg af, doodde het paard met zijn degen en gaf het als voedsel aan de jonge raven. Deze kwamen aanhippen en aten hun buikjes vol. Zij riepen: “Wij zullen aan je denken en het je vergelden.”



Nu moest hij zijn eigen benen gebruiken en na een lange weg afgelegd te hebben kwam hij bij een grote stad. Daar was een enorm lawaai en gedrang in de straten en iemand te paard maakte bekend dat de koningsdochter een gemaal zocht, doch wie naar haar hand wilde dingen moest een moeilijke opgave volbrengen en als hem dat niet gelukte, dan verspeelde hij zijn leven. Velen hadden het al geprobeerd, doch tevergeefs hun leven op het spel gezet. Toen de jongeman de koningsdochter zag was hij zo verblind door haar grote schoonheid dat hij alle gevaren vergat. Hij begaf zich naar de koning bij wie hij zich als vrijer meldde.

Dadelijk werd hij naar het strand gebracht waar voor zijn ogen een gouden ring in zee geworpen werd. De koning gebood hem deze ring van de zeebodem naar boven te brengen en voegde eraan toe: “Als je zonder die ring bovenkomt dan word je steeds opnieuw in het water gegooid tot je in de golven omkomt.” Iedereen had medelijden met de schone jongeling, maar tenslotte liet men hem eenzaam op het strand achter. Toen hij daar zo stond en bij zichzelf overlegde wat te doen, zag hij opeens drie vissen aan komen zwemmen. Dat waren de drie vissen die hij het leven had gered. De middelste had een schelp in zijn bek die hij op het strand aan de voeten van de jongeling neerlegde. Deze raapte de schelp op en toen hij hem opende lag de gouden ring erin. Opgetogen bracht hij de ring naar de koning en verwachtte dat deze hem nu de toegezegde beloning zou geven. Maar de trotse koningsdochter versmaadde hem, toen zij hoorde dat hij niet van gelijke geboorte was. Zij eiste dat hij eerst nog een tweede opgave zou volbrengen. Zij daalde af in de tuin en strooide zelf tien zakken gierst in het gras: “Die moet hij morgen voor zonsopgang opgeraapt hebben,” sprak zij, “en er mag geen korreltje aan ontbreken.” De jongeling ging in de tuin zitten en peinsde erover hoe hij deze opgave moest volbrengen, maar hij kon niets bedenken. Hij zat daar heel bedroefd en verwachtte bij het aanbreken van de dag ter dood gebracht te worden. Maar toen de eerste zonnestralen in de tuin vielen, zag hij de zakken alle tien boordevol naast elkaar staan en er ontbrak geen korreltje aan. De koning van de mieren was ‘s nachts met zijn duizenden en duizenden mieren gekomen. Vlijtig hadden de dankbare diertjes alle gierst opgeraapt en in de zakken gedaan. De koningsdochter kwam zelf beneden in de tuin kijken en zag met verbazing dat de jongeling volbracht had wat hem was opgedragen. Maar zij had de trots in haar hart nog niet overwonnen en sprak: “Al heeft hij ook de beide opgaven volbracht, ik trouw niet met hem voordat hij mij een appel van de boom des levens heeft gebracht.” De jongeling wist niet waar de boom des levens stond. Hij ging op weg en was van plan maar door te lopen zolang zijn benen hem wilden dragen maar hij koesterde niet de geringste hoop de boom des levens te vinden. Toen hij, na door drie koninkrijken getrokken te zijn, ‘s avonds in een bos kwam, ging hij onder een boom zitten en wilde slapen. Daar hoorde hij opeens geritsel in de takken en er viel een gouden appel in zijn hand. Tegelijkertijd vlogen drie raven naar beneden en gingen op zijn knie zitten. Zij zeiden: “Wij zijn de drie jonge raven die je van de hongerdood hebt gered. Toen wij groot waren en hoorden dat je de gouden appel zocht, zijn wij over de zee gevlogen tot aan het eind van de wereld, waar de boom des levens staat en daar hebben wij de appel voor je gehaald.” Vol vreugde aanvaardde de jongeling de terugtocht en bracht de gouden appel aan de mooie koningsdochter die nu geen uitvluchten meer had. Zij deelden de appel des levens en aten hem samen op. Toen werd haar hart vervuld van liefde voor hem en in ongestoord geluk bereikten zij samen een hoge ouderdom.

R

Selma Lagerlöf - Legende van Roodborstje

Hoe het roodborstje aan haar rode veren komt


Het was in de tijd dat God de wereld schiep, toen hij niet alleen hemel en aarde maakte, maar ook alle dieren en gewassen en hun tegelijkertijd een naam gaf. Er zijn veel verhalen uit die tijd, en als men die kende, zou men ook in staat zijn alles in de wereld, wat men nu niet kan begrijpen, te verklaren.
Nu gebeurde het op een dag dat God in het paradijs de vogels zat te schilderen en dat de verf in de verfpotten opraakte, zodat de distelvink zonder kleur gebleven zou zijn, als God niet alle penselen aan diens veren had afgeveegd.

Toen kreeg ook de ezel zijn lange oren, omdat hij de naam die hij gekregen had maar niet kon onthouden. Zodra hij een paar stappen op de wei in het paradijs zette, vergat hij zijn naam. Al driemaal was hij teruggekomen om te vragen hoe hij heette en God werd wat ongeduldig, pakte hem bij beide oren en zei: "Je naam is ezel, ezel, ezel!" En terwijl hij dat zei, trok hij de oren van het dier een stukje omhoog, zodat het beter zou horen en onthouden wat hem gezegd werd.
Op die dag werd ook de bij gestraft. Want zodra de bij geschapen was, begon ze onmiddellijk honing te verzamelen en alle mensen, die merkten hoe heerlijk de honing geurde, kwamen aangelopen om te proeven. Maar de bij wilde alles zelf houden en joeg met haar giftige angel iedereen weg, die om honing kwam. Dat zag God en onmiddellijk riep hij de bij bij zich om haar te straffen. "Ik heb je de gave geschonken om honing te verzamelen, het mooiste wat er in de schepping is," zei God. "Maar daarom heb ik je nog niet het recht gegeven om hardvochtig tegenover je naaste te zijn. Onthoud dus maar goed dat je moet sterven, als je iemand steekt, die je honing wil proeven." Ja, er gebeurden die dag allerlei wonderlijke dingen. Zo werd de krekel blind en verloor de mier haar vleugels.
God, groot en vriendelijk, was de hele dag druk bezig te scheppen en in 't leven te roepen. En tegen de avond kwam het in hem op om een kleine, grauwe vogel te maken. "Onthoud goed dat je naam roodborstje is," zei God tegen de vogel, zette hem op zijn hand en liet hem vliegen.
Maar toen de vogel een poosje had rondgevlogen en de mooie aarde had bekeken, wilde hij ook zichzelf wel eens bekijken. Toen zag hij dat hij helemaal grijs was, tot zijn borst toe.

Roodborstje keerde en draaide en spiegelde zich in het water, maar hij kon geen enkele rode veer ontdekken.
De vogel vloog terug naar God, die daar zacht en vriendelijk zat, terwijl de vlinders, die uit zijn hand te voorschijn kwamen, om zijn hoofd vlogen. Duiven kirden op zijn schouders en uit het veld om hem heen bloeiden rozen, leliën en duizendschonen op.
Het hart van de kleine vogel bonsde hevig van angst. Toch vloog hij in lichte bogen steeds dichter naar God toe en uiteindelijk ging hij op diens hand zitten.
God vroeg wat hij wenste.
"Ik wil u maar één ding vragen," zei de kleine vogel.
"Wat wil je weten?" vroeg God.
"Waarom moet ik roodborstje heten, als ik van mijn snavel tot de punt van mijn staart helemaal grauw ben? Waarom word ik roodborstje genoemd, als ik geen enkele rode veer bezit?" Het vogeltje zag God smekend aan met zijn zwarte oogjes en draaide heen en weer. Om zich heen zag hij fazanten, helemaal rood met wat goudstof besprenkeld, papegaaien met weelderige rode halskragen en hanen met rode kammen, om nog maar te zwijgen van vlinders, goudvissen en rozen.
Natuurlijk dacht hij eraan hoe weinig er maar nodig was - maar één druppeltje verf - om hem tot de mooie vogel te maken, waar zijn naam bij paste.
"Waarom moet ik roodborstje heten, terwijl ik helemaal grijs ben?" vroeg de vogel opnieuw. En hij verwachtte dat God zou zeggen: "Ach, vriendje, ik zie dat ik vergeten heb je borstveren rood te schilderen, wacht maar even, dan is het zo klaar." Maar God lachte alleen maar stil en zei: "Ik heb je roodborstje genoemd en roodborstje zul je heten. Maar je moet zelf maar zien, dat je je rode borstveren verdient." Toen hief God zijn hand op en liet de vogel opnieuw uitvliegen.
In diep gepeins vloog de vogel in het paradijs rond. Wat zou een kleine vogel als hij kunnen doen om zich rode veren te verwerven? Het enige wat hij kon bedenken was in een doornstruik te gaan wonen. Daarom begon hij een nest te bouwen tussen de stekels van een dichte doornstruik. Het was alsof hij verwachtte, dat een rozenblad zich bij zijn keel zou vastzetten en die zou kleuren.
Een oneindige hoeveelheid jaren was verstreken sinds die dag, de heerlijkste ter

wereld. Sindsdien hadden mensen en dieren het paradijs verlaten en zich over de aarde verspreid. De mensen hadden inmiddels geleerd om het veld te ontginnen en de zee te bevaren. Ze hadden zich kleren en versierselen aangeschaft en al lang geleden geleerd om grote tempels en machtige steden te bouwen, zoals Thebe, Rome en Jeruzalem.

Toen brak een nieuwe dag aan, die ook lang herdacht zou worden in de geschiedenis van de aarde. Op de morgen van die dag zat vogel Roodborst op een kleine, kale heuvel buiten de muren van Jeruzalem te zingen voor zijn jongen, die midden in een lage doornstruik in een nestje lagen. Het roodborstje vertelde zijn kleintjes over de wonderbare dag van de schepping en hoe hij zijn naam had gekregen, net zoals alle roodborstjes hadden gedaan vanaf het eerste, dat Gods woord had gehoord en was opgevlogen van zijn hand.
"En kijk nu toch eens," besloot hij treurig. "Zoveel jaren zijn verstreken, zoveel rozen hebben gebloeid en zoveel jonge vogels zijn uit hun ei gekropen, sinds de dag van de schepping, dat niemand ze kan tellen en nog altijd is het roodborstje een kleine, grijze vogel. Het is hem nog steeds niet gelukt zijn rode borstveren te verwerven." De jongen sperden hun snavel wijd open en vroegen of hun voorvaderen niet geprobeerd hadden iets groots te verrichten, om zo die onschatbare rode kleur voor zich te winnen.
"We hebben alles gedaan wat we konden," zei het vogeltje, "maar alles is mislukt. Meteen al het eerste roodborstje ontmoette eens een andere vogel, die sprekend op hem leek en waarvan hij meteen zoveel begon te houden, dat hij zijn borst voelde gloeien. Och, dacht hij toen, nu begrijp ik het! Het is de bedoeling van God, dat ik met zoveel warmte zal liefhebben, dat mijn borstveren rood worden door de gloed van de liefde, die in mijn hart woont. Maar het lukte hem niet, zoals het niemand na hem lukte en zoals het ook jullie niet zal lukken." De jongen tjilpten bedroefd en begonnen er al over te treuren, dat die rode kleur nimmer hun donzige borstjes zou sieren.
"Ook op het zingen hebben wij onze hoop gevestigd," zei de oude vogel nu in lange, gerekte tonen. "Meteen al het eerste roodborstje zong zo, dat zijn borst van verrukking zwol en hij opnieuw begon te hopen. Ach, dacht hij, het is de zangersgloed, die in mijn ziel woont, die mijn borstveren rood zal verven. Maar het lukte hem niet, zoals het niemand na hem lukte en zoals het ook jullie niet zal lukken." Opnieuw klonk een droevig gepiep uit de halfnaakte keeltjes van de jongen.

"We hebben ook gehoopt op onze moed en onze dapperheid," zei de vogel. "Meteen al het eerste roodborstje streed dapper met andere vogels en zijn borst vlamde van strijdlust. Ach, dacht hij, mijn borstveren zullen rood worden van de strijdlust die in mijn hart gloeit. Maar het lukte hem niet, zoals het niemand na hem lukte en zoals het ook jullie niet zal lukken." De jongen piepten heel moedig, dat ze toch wilden proberen het voorrecht te verwerven, waarnaar het roodborstje al die lange jaren had verlangd. Maar de oude vogel antwoordde hun droevig, dat dit onmogelijk was. Hoe konden zij die hoop koesteren, waar vele uitstekende voorvaderen het doel niet hadden kunnen bereiken? Wat konden ze meer doen dan zingen, liefhebben en vechten? Wat konden...
De vogel hield midden in die zin op, want uit een van de poorten van Jeruzalem kwam een menigte mensen naar buiten en iedereen liep snel naar de heuvel, waar de vogel zijn nest had. Het waren ruiters op trotse paarden, krijgslieden met lange speren, beulsknechten met hamers en spijkers, waardig voorttrekkende priesters en rechters, huilende vrouwen, maar vooral een troep wild rondspringend, loslopend volk, een afschuwelijk schreeuwende bende straatslijpers. Een klein grijs vogeltje zat trillend op de rand van zijn nest. Het was bang dat de doornstruik ieder moment vertrapt en zijn jongen gedood zouden worden.

"Wees voorzichtig!" riep hij de weerloze diertjes toe. "Kruip dicht bij elkaar en wees doodstil. Er komt een paard aan, dat dwars over ons heen zal gaan, en een soldaat met sandalen met ijzeren zolen. Er komt een hele woeste bende aanstormen." Opeens hield de vogel op met waarschuwen en bleef doodstil zitten. Bijna vergat hij het gevaar waarin hij verkeerde.

Plotseling sprong hij in het nest en spreidde zijn vleugels over zijn jongen uit. "Nee, dit is al te vreselijk," zei hij, "ik wil niet dat jullie dit zien. Daar komen drie misdadigers aan, die gekruisigd moeten worden." En hij spreidde zijn vleugels nog verder uit, zodat de jongen niets konden zien. Ze hoorden alleen de dreunende hamerslagen, de jammerkreten en het wilde gejoel van het volk.

Met ogen groot van ontzetting volgde het roodborstje het hele schouwspel, terwijl hij niet in staat was zijn blik van de drie ongelukkigen af te wenden.

"Wat zijn de mensen wreed," zei de vogel na een poosje. "Het is hun nog niet genoeg die arme schepsels aan het kruis te nagelen. Nee, ze hebben op het hoofd van die ene ook nog een kroon van scherpe doornen gezet."

"Ik zie dat de doornen zijn voorhoofd hebben verwond, zodat zijn bloed vloeit," ging hij voort. "En die man is zo kalm en kijkt met zulke zachte ogen om zich heen, dat iedereen wel van hem moet houden. Het is alsof een pijl mijn hart doorboort, nu ik hem zie lijden." Het vogeltje begon steeds meer medelijden te krijgen met de man die de doornenkroon droeg.
Als ik mijn broeder de arend was, dacht hij, zou ik de spijkers uit zijn handen rukken en met mijn sterke klauwen iedereen op de vlucht jagen, die hem pijnigt. Toen hij zag hoe het bloed langs het voorhoofd van de gekruisigde vloeide, kon hij niet langer stil in zijn nest blijven zitten. Ook al ben ik klein en zwak, toch kan ik wel iets voor die arme gemartelde doen, dacht de vogel, verliet het nest en steeg op in de lucht, waarbij hij grote kringen rond de gekruisigde beschreef. Hij zweefde verschillende keren om hem heen zonder dichterbij te komen, want hij was een schuwe, kleine vogel, die het nog nooit gewaagd had dicht bij een mens te komen.
Langzamerhand vatte hij moed, vloog naar hem toe en trok met zijn snavel de doorn uit, die in het voorhoofd van de gekruisigde was gedrongen. En terwijl hij dit deed, viel een druppel bloed van de gekruisigde op de borst van de vogel. De druppel breidde zich snel uit en kleurde al zijn tere borstveertjes.
De gekruisigde opende zijn lippen en fluisterde de vogel toe: "Door uw barmhartigheid hebt u nu verworven, waar uw voorvaderen sinds de schepping van de wereld naar gestreefd hebben." Zodra de vogel in zijn nest terugkwam, riepen zijn jongen hem toe: "Uw borst is rood, uw veren zijn roder dan rozen!" - "Dat is alleen maar een druppel bloed van het voorhoofd van die arme man. Die verdwijnt zodra ik me in een beek of een heldere bron baad." Maar hoe het vogeltje ook baadde, de rode kleur week niet meer van zijn borst.
En toen zijn jongen volwassen waren, vertoonden ook hun borstveren die schitterend rode kleur, zoals die tot op de dag van vandaag op de keel en de borst van ieder roodborstje te zien is.
* * * EINDE * * *


P

Pieterbaas



Pieterbaas heeft veel pret en plezier

N



N

Tante Nel naait negen lakens met een dunne naald.



Met een nog dunnere naald naait nette Nelly nu een tiende laken naast de negende laken van tante Nel.


M

M – Maria’s mantel


(aangepast - verhaal van Hermien Ijzerman)

Herodus wacht op bericht van de soldaten. Ze zijn op zoek naar het kindje waarover Herodus gehoord had dat hij op een dag koning zou zijn van het land. Dat wil Herodus natuurlijk liever niet. Daarom heeft hij opdracht gegeven dat de soldaten het kindje moeten zoeken en om het leven brengen. Alle kindjes jonger als twee jaar moeten dood, dacht Herodus. Dan kon hij zeker weten dat er geen nieuwe koning komt om zijn troon af te pakken!

Maar Jozef en Maria zijn reeds gewaarschuwd. Een engel kwam in een droom aan Jozef vertellen dat ze moesten vluchten. Ze vertelden aan niemand waar ze heen gingen. Maria dacht: “ mijn mond moet mijn geheim bewaren”. Ze zijn onderweg naar Egypte. Het is een lange en gevaarlijke weg. Ze moeten door de hete, dorre woestijn lopen. Er zij veel duinen, dat zijn bergen van zand. Vaak moeten zij hun weg omhoog banen tegen de kant van een duin. Wanneer zij boven aankomen moeten zij weer tegen de schuine duin naar beneden klimmen. Het is geen gemakkelijke tocht! Er is haast geen water te vinden en weinig planten of bomen die schaduw bieden. Lange stukken moeten zij in de brandende zon lopen. S’ nachts is het bitter koud. Gelukkig kan Maria haar kindje en zichzelf dan warm omvouwen met haar groot, wijde mantel.
Maria zit op het ezeltje en houdt het kindje dicht bij zich. Over zijn hoofdje heeft zij haar mantel gespreid zodat de brandende zon niet op zijn hoofdje schijnt en zijn tere huidje verbrandt. Soms zijn er zandstormen, wanneer de wind hard waait. De mantel beschermt het kindje zodat de zandkorrels niet in zijn oogjes komen. De mantel van Maria heeft een prachtige blauwe kleur. Maar tijdens het wandelen is het al een beetje vies geworden, het lijkt al een beetje bruin! Wanneer wij weer een waterbron vinden, dacht Maria, zal ik de mantel maar een keertje moeten wassen. In de warme zon zal het snel drogen. Maar intussen helpt het om mijn kindje te beschermen.
Op een keer hoorden Maria en Jozef ineens stemmen. De stemmen kwamen van achter een hoge duin vlakbij. Ze schrokken heel erg hiervan. Het waren vast de soldaten van Herodus, op zoek naar het kindje! Zover als zij konden zien waren er alleen uitgestrekte zandvlakten en zandduinen. Er was nergens schuilplaats. Wat moesten ze nu doen?
“Maria”, zei Jozef, “geef mij snel jouw mantel. Ik zal mijn wandelstok in het zand planten en dan de mantel er over heen gooien. Dan maken wij er een tentje van. Jij kan dan met het kindje in de tent schuilen. Ik zal aan de buitenkant wat zand over de mantel heen strooien, en dan lijkt het net een kleine zandheuvel. Dan kruip ik ook in de tent. Hopelijk zien de soldaten ons dan niet zo makkelijk raak. Dat was een goed plan. Jozef n Maria zaten heel stil met het kindje in de manteltent. Het ezeltje was te groot en moest buiten blijven wachten.
Toen Jozef het zand op de mantel strooiden, scheen de zon ineens verblindend helder. De zandkorreltjes glansden en schitterden en straalden in het zonlicht. Het was zo licht, dat men bijna niets meer konden zien!

Afb. uit het boekje van Hermien Ijzerman  - Lettersprookjes

Toen kwamen de soldaten in zicht. Zij zagen het manteltentje niet in het schitterende zonlicht. De enige dat zij nog zagen, was het ezeltje. “Kijk”, zei een van de soldaten, “een ezel! Zullen wij het meenemen?” “Welnee”, antwoorden de anderen. “Wij hebben genoeg pakdieren, en dan hebben wij nog een dier ometen en drinken voor te vinden. Laat dat ezeltje maar waar het is, het brengt alleen maar meer zorgen met zich mee!” En de soldaten liepen verder en verdwenen al gauw achter de volgende duin.
Toen het weer veilig was om uit de tent te komen, schudde Jozef de mantel weer goed uit. Hij zorgde dat er geen zandkorrels meer in waren en Maria vouwde het weer om zichzelf en het kindje. Zo liepen zij verder en tegen de avond kwamen zij bij hun bestemming aan. Uiteindelijk waren zij veilig in Egypte en konden de soldaten van Herodus ze niets meer doen.


De mantel van Maria

De mantel van Maria heilig,

Het houdt het kindje warm en veilig.

Beschermt hem tegen weer en wind

Het helpt hem, waar hij zich ook mag bevindt.

Het wordt een tentje, als het moet,

het kindje slaapt er stil en zoet.




M

Een ander voorbeeld













of:
Mijn mond moet mijn geheim bewaren.








De langere verhalen nemen veel tijd om voor te bereiden en aan te bieden op een wijze dat het ook echt voor de kinderen beleefbaar worden. Hoewel het altijd goed is om naar wegen te zoeken waarop ook deze kinderen de verhalen mogen beleven, kunnen wij soms andere mogelijkheden vinden.
Voor de kinderen met een ontwikkelingsachterstand, zijn kleine verhaalversjes een fijne aanknoping om met de klankbeelden kennis te maken. Het is dus geen reden om daar niet mee aan de slag te gaan, wanneer de kinderen zo een lang verhaal niet kunnen volgen! Mits de leerkracht het zelf doorleeft heeft en op een kunstzinnige wijze aangeboden, komt de beelden even goed echt tot leven. De versjes van Hermien Ijzerman lenen ze hier uitstekend voor:

Het mi-ma-molletje
Het Mi-ma-molletje
Dat maakt zijn mollenholletje
Met moeite en met vlijt.
Het mi-ma-molletje
Graaft moeizaam lange tijd...
Daar komt de kleine Miezemuis,
Die zegt: "Ik maak hier mijn muizenhuis.
Mijn voorraadschuurtje is al vol,
Dus kom ik in jouw mollenhol...
Owè, owè, mort mi-ma-mol,
Dat is niet dol, niet dol dol dol....

L

Lieve Liesje leerde Lotje lopen langs de lange lindelaan
Maar toen Lotje niet wou lopen
Toen liet Liesje Lotje staan

L
Lichtje, lichtje straal
Ik wil niet verdwaal
Laat je licht mij helpen
Mijn doel te vinden





Lichtje, lichtje laat je vlam glanzen en stralen.



Lieve lente laat ons niet alleen





K

Er zijn overal wel verhalen over koningen te vinden. Hier volg een verhaal uit de bundel van Hermien Ijzerman. De beelden die door haar gebruikt worden zijn de K (koning) en de J (jachthoorn).















De jachthoorn van Koning Karel

Grote drukte heerste in de binnenplaats van Koning Karel ’s hof. De heraut blies op zijn hoorn en dat was de teken dat het jacht begon. De kleurige ruiterstoet reed over de ophaalbrug. De blaffende honden sprongen vooruit.

Voorop reed Koning Karel. Dan volgden de valkeniers met de valken op hun hand. Daarna de ridders met pijl en boog. De zon schitterde op de glinsterende helmen en lansen, terwijl de pluimen en vanen in de wind wapperden.

Snuivend liep het paard van de koning achter de honden aan, tussen de bosjes en dichte struiken door.

Ineens klonk er een donderende slag. Het paard schrok op en steigerde.

Verschrikt keek de koning nar de lucht. Die zag er nu donker en dreigend uit. Het weer is veranderd. Er komt onweer! Wij zullen een schuilplaats moeten vinden.


De koning was een beetje afgedwaald van zijn onderdanen. Hij vond een veilige plek onder een overhangende krans. Ineens hoorde hij van achter de rotsen vreemde muziek. Het was niet mooi maar erg wild. De koning werd nieuwsgierig en klopte tegen de rots met zijn zwaard. Ineens schoof de rots weg. Koning Karel kon zijn ogen en oren niet geloven. Hij stond nu in een grot en overal dansten en krijsten lelijke trollen en venijnige elven! Zij greep de koning en wilde hem op het vuur braden – “dat wordt een lekker hapje!” riepen zij uit. Maar de koning smeekte hen om zijn leven te sparen. Kijk, ik heb een prachtige jachthoorn met edelstenen versierd en een gouden mondstuk! Jullie mogen het hebben. Het kan eten op de tafel toveren. Maar dan moeten jullie eerst wachten tot ik weg ben. Wanneer jullie er op blazen voor ik weg ben, komen er wolven en beren om jullie te verscheuren! Dat leek de trollen en elven wel een fijn idee, en zij lieten de koning vrij. Zo snel als de wind sprong hij op zijn paard en reed terug naar waar hij dacht zijn onderdanen te vinden.

Ineens hoorde hij een jachthoorn in de verte. De koning ging op het geluid af. Maar hij kwam alleen een oude kluizenaar tegen. Ik ben mijn jachthoorn kwijt, zei de koning tegen de oude man. Zo kan ik mijn makkers niet terug vinden. Hij vertelde aan de oude wijze man wat hem overkwam. Ik heb wel een jachthoorn voor u. Hij is nog veel kostbaarder dan die van u. De oude man gaf aan de koning een oude, lelijk jachthoorn. Het had geeneens enig versiering. U spot met mij! Riep de koning boos uit. Maar het is wel een kostbaar hoorn, zei de oude man. Blaas er eens op. De koning blies op de hoorn, maar er kwam alleen een akelig krasse toon uit. De koning begreep er niets van. Dat was niet de hoorn dat hij hoorde! Maar de oude man nam de hoorn vast en blies er op. De mooiste, zuiverste, prachtige tonen kwamen er uit! Neem deze jachthoorn mee, Koning Karel. Hij kan alleen zuivere muziek maken wanneer iemand met een zuiver, goed hart er op speelt. Leer hoe om zuiver klanken voort te brengen. Dat kan als jij jou hart ook zuiver maakt. Probeer om een wijze mens te worden.

 Afb. uit "Letterverhalen" van Hermien Ijzerman

En de koning nam de jachthoorn mee. Iedere dag speelde hij er op. Eerst klonken er alleen lelijke valse tonen wanneer de koning speelde. Maar de koning werd ook steeds wijzer en hij kreeg een goed hart. Dat kwam omdat hij zo hard probeerde om mooi muziek voort te brengen op zijn jachthoorn. En het lukte hem uiteindelijk!


J

De jachthoorn van Koning Karel



Verhaal en afb. uit Lettersprookjes van Hermien Ijzerman

Grote drukte heerste in de binnenplaats van Koning Karel’s hof. De heraut blies op zijn hoorn en dat was de teken dat de jacht begon. De kleurige ruiterstoet reed over de ophaalbrug. De blaffende honden sprongen vooruit.

Voorop reed Koning Karel. Dan volgden de valkeniers met de valken op hun hand. Daarna de ridders met pijl en boog. De zon schitterde op de glinsterende helmen en lansen, terwijl de pluimen en vanen in de wind wapperden.

Snuivend liep het paard van de koning achter de honden aan, tussen de bosjes en dichte struiken door.
Ineens klonk er een donderende slag. Het paard schrok op en steigerde.

Verschrikt keek de koning nar de lucht. Die zag er nu donker en dreigend uit. Het weer is veranderd. Er komt onweer! Wij zullen een schuilplaats moeten vinden.

De koning was een beetje afgedwaald van zijn onderdanen. Hij vond een veilige plek onder een overhangende krans. Ineens hoorde hij van achter de rotsen vreemde muziek. Het was niet mooi maar erg wild. De koning werd nieuwsgierig en klopte tegen de rots met zijn zwaard. Ineens schoof de rots weg. Koning Karel kon zijn ogen en oren niet geloven. Hij stond nu in een grot en overal dansten en krijsen lelijke trollen en venijnige elven! Zij greep de koning en wilde hem op het vuur braden – “dat wordt een lekker hapje!” riepen zij uit. Maar de koning smeekte hen om zijn leven te sparen. Kijk, ik heb een prachtige jachthoorn met edelstenen versierd en een gouden mondstuk! Jullie mogen het hebben. Het kan eten op de tafel toveren. Maar dan moeten jullie eerst wachten tot ik weg ben. Wanneer jullie er op blazen voor ik weg ben, komen er wolven en beren om jullie te verscheuren! Dat leek de trollen en elven wel een fijn idee, en zij lieten de koning vrij. Zo snel als de wind sprong hij op zijn paard en reed terug naar waar hij dacht zijn onderdanen te vinden.



Ineens hoorde hij een jachthoorn in de verte. De koning ging op het geluid af. Maar hij kwam alleen een oude kluizenaar tegen. Ik ben mijn jachthoorn kwijt, zei de koning tegen de oude man. Zo kan ik mijn makkers niet terug vinden. Hij vertelde aan de oude wijze man wat hem overkwam. Ik heb wel een jachthoorn voor u. Hij is nog veel kostbaarder als die van u. De oude man gaf aan de koning een oud, lelijk jachthoorn. Het had geeneens enig versiering. U spot met mij! Riep de koning boos uit. Maar het is wel een kostbaar hoorn, zei de oude man. Blaas er eens op. De koning blies op de hoorn, maar er kwam alleen een akelig krasse toon uit. De koning begreep er niets van. Dat was niet de hoorn dat hij hoorde! Maar de oude man nam de hoorn vast en blies er op. De mooiste, zuiverste, prachtige tonen kwamen er uit! Neem deze jachthoorn mee, Koning Karel. Hij kan alleen zuivere muziek maken wanneer iemand met een zuiver, goed hart er op speelt. Leer hoe om zuiver klanken voort te brengen. Dat kan als jij jou hart ook zuiver maakt. Probeer om een wijze mens te worden.


En de koning nam de jachthoorn mee. Iedere dag speelde hij er op. Eerst klonken er alleen lelijke valse tonen wanneer de koning speelde. Maar de koning werd ook steeds wijzer en hij kreeg een goed hart. Dat kwam omdat hij zo hard probeerde om mooi muziek voort te brengen op zijn jachthoorn. En het lukte hem uiteindelijk!