donderdag 28 januari 2010

Het Aaanleren van de Letterbeelden

Het leren schrijven

De kinderen krijgen veel sprookjes, verhalen rondom de seizoenen en de natuur en de feestdagen te horen. Op de ritmen van de gedichten en versjes wordt gelopen en geklapt. Klankoefeningen en nonsensrijmpjes vormen ook een belangrijk deel van het leerproces. Op deze manier ondersteunt de beweging het spreken. Ongemerkt nemen ze een rijkdom van woorden en mooie klanken in zich op.

De oudste volkeren die schriftelijk iets wilden vastleggen, hadden nog niet het alfabet tot hun beschikking; dit is pas heel langzaam uit een beeldschrift ontstaan. Wanneer wij de kinderen meteen de abstracte letters leren, geven we ze slechts de uitgeklede versie van de oorspronkelijke beeldvormen. Hoe de mensen door de eeuwen heen vanuit het leven zelf het schrift ontwikkelden, is dan voor de kinderen geheel verloren gegaan.
In de eerste klas probeer de leerkracht ook de gang van beeld naar letter met de kinderen te maken. Iedere leraar kiest daarvoor zijn eigen beelden, soms heel voor de hand liggende en veel gebruikte beelden.


De leerkracht introduceert een letter vaak door middel van een verhaal, maar hij vertelt de kinderen wel van tevoren dat ze er iets van gaan leren. Doet hij dit niet, dan voelen de kinderen zich na afloop gefopt. Bovendien spreekt de leerkracht hiermee de wil om te leren aan. Vaak schilderen de kinderen de voorstelling, de zwaan in het water, de vogel in de lucht, eerst met waterverf op een nat blad. Door dit nat-op-nat schilderen komen de vormen niet absoluut en stilstaand op het papier. De kleuren vloeien min of eerder meer in elkaar over, zodat er geen harde onbeweeglijke vormen tot stand komen en ruimte voor de fantasie overblijft.
Daarna doen ze het nog eens over met bijenwaskrijt en kleurpotlood. Langzamerhand wordt het beeld afgepeld en tenslotte komt de letter tevoorschijn. Ze lopen de vormen en ze schrijven het met de vingers in de lucht en op het papier. Zo krijgt elke letter haar eigen geschiedenis mee. Bij veel kinderen behoudt de kale letter nog een tijdje een fantasie-element. Zo krijgt de ene K nog een kroontje en de andere een zwaard of een schoentje. Het blijkt dat de kinderen bij deze manier van leren, waarbij de fantasie zo'n grote rol speelt, hun kinderlijkheid niet vroegtijdig behoeven in te leveren.
Voor iedere medeklinker is wel een beeld te vinden. Toch leren de kinderen enkele letters zonder beeld, omdat zij toch ook in staat moeten zijn om de sprong in een keer te maken.


Bron: Van verhaal tot taal - Werkplan Geert Groote School Amsterdam
Z voor de zwaan



Z voor zwaan





V voor vogel












K voor koning













De leerkracht introduceert een letter vaak door middel van een verhaal, maar hij vertelt de kinderen wel van tevoren dat ze er iets van gaan leren. Doet hij dit niet, dan voelen de kinderen zich na afloop gefopt. Bovendien spreekt de leerkracht hiermee de wil om te leren aan. Vaak schilderen de kinderen de voorstelling, de zwaan in het water, de vogel in de lucht, eerst met waterverf op een nat blad. Door dit nat-op-nat schilderen komen de vormen niet absoluut en stilstaand op het papier. De kleuren vloeien min of eerder meer in elkaar over, zodat er geen harde onbeweeglijke vormen tot stand komen en ruimte voor de fantasie overblijft.
Daarna doen ze het nog eens over met bijenwaskrijt en kleurpotlood. Langzamerhand wordt het beeld afgepeld en tenslotte komt de letter tevoorschijn. Ze lopen de vormen en ze schrijven het met de vingers in de lucht en op het papier. Zo krijgt elke letter haar eigen geschiedenis mee. Bij veel kinderen behoudt de kale letter nog een tijdje een fantasie-element. Zo krijgt de ene K nog een kroontje en de andere een zwaard of een schoentje. Het blijkt dat de kinderen bij deze manier van leren, waarbij de fantasie zo'n grote rol speelt, hun kinderlijkheid niet vroegtijdig behoeven in te leveren.
Voor iedere medeklinker is wel een beeld te vinden. Toch leren de kinderen enkele letters zonder beeld, omdat zij toch ook in staat moeten zijn om de sprong in een keer te maken.

Bron: Van verhaal tot taal - Werkplan Geert Groote School Amsterdam


Leren Schrijven

Taalonderwijs in de Eerste Klas.

Het vertellen van verhalen, aanleren van liederen en gedichten, toneelspelletjes en zangspelletjes bieden allen de gelegenheid om taalbegrip en taalgebruik te ontwikkelen en te verbeteren. Daar wordt veel gebruikt gemaakt van vingerspelletjes, poppenspelen en toneelspel. Woordenschat wordt ongemerkt uitgebreid. Al spelend en bewegend leren de kinderen om de moedertaal te gebruiken. Er wordt ritmisch gelopen, geklapt en gestampt terwijl er gezongen wordt of versjes gesproken wordt. De taalles doorspekt op deze wijze het gehele didactische gebeuren.
















Over het aanleren van de letterbeelden en het leren schrijven

Om werkelijk te begrijpen waarom we de kinderen in de eerste klas letterbeelden aanbieden in plaats van meteen de drukletters uit de boekjes, dienen we ons eerst bewust te worden van de grondbeginselen van het Vrije Schoolonderwijs.

Het vierledig mensbeeld
Rudolf Steiner gaat uit van een specifiek mensbeeld. Daarin beschrijft hij vier wezens- delen.
Naast een fysiek lichaam (in gemeen met het minerale rijk) hebben wij ook nog een etherlichaam (in gemeen met het plantenrijk) dat ons doet groeien en ons energie geeft, waardoor we ons gezond of ziek voelen, moe of juist energiek. Het houdt de levensprocessen in stand. Het etherlichaam heet ook wel: levenslichaam of vormkrachten lichaam. 
Alles wat we op school doen aan ritme werkt gezond makend op het etherlichaam. Bedenk maar eens hoe vermoeiend het is als je "uit je ritme bent". Deze uitdrukking geeft al aan dat het je minder energie kost als je de dingen in een vaste ritme doet.
Steiner zegt dan ook: "Ritme vervangt kracht". Als je uit je ritme bent, moet je je hoofd er weer bijhouden, dan lukken bv. die danspasjes opeens veel minder goed. Al het ritmische (versjes klappen, stampen en lopen, maar ook het dagelijkse of wekelijkse ritme, spreekt het kind aan in het middengebied; het gebied van de ademhaling en bloedsomloop (het voelen). Het voelen zit tussen twee andere gebieden in: het denken enerzijds en het willen anderzijds.

Als derde beschrijft hij het astraal lichaam (of gewaarwordingslichaam). Dit laatste komt tot rijping tijdens de puberteit. Het herbergt alle driften, lusten, emoties enz. (in gemeen met het dierenrijk)

De vierde is het "ik" of zelfbewustzijn van de individualiteit. Alleen de mens beschikt over een Ik, dat pas ten volle wordt geboren na het 21e levensjaar. Het vierde wezens deel beschikt over de mogelijkheid zichzelf te richten, om bewust in te  grijpen in het eigen handelen.


Het drieledig mensbeeld

Willen Voelen Denken

Op de Vrije School proberen we die drie gebieden ten volle aan te spreken. Via het Voelen en Willen wordt het Denken wakker. Zouden we alleen het denken aanspreken, dan slaan we een belangrijk gebied over. Jonge kinderen te veel in hun intellect aanspreken maakt ze moe. Ze kunnen buikpijn krijgen. Het gaat ten koste van hun levenskracht (etherlichaam). 

Je merkt al bij jezelf waar je behoefte aan hebt, als je een tijd lang achter elkaar veel denkwerk hebt verricht; je krijgt het koud, wordt slaperig enz. Als je dan even een stuk gaat wandelen, heb je opeens weer volop energie!

In ons lichaam concentreert het denken zich in ons hoofd (de zenuw-zintuigpool). Daar heerst veel bewustzijn en met onze zintuigen hebben we een wakker contact met de buitenwereld. Ons hoofd houdt van koelte en rust. Een te sterke beweging leidt al snel tot hoofdpijn of een hersenschudding. Maar onze zenuwcellen vernieuwen zich niet of nauwelijks. Eenmaal beschadigd herstellen ze zich niet of heel moeilijk. In onze zenuw-zintuigpool heersen a.h.w. de "doods krachten" (of antipathie krachten).
Het willen concentreert zich in ons lichaam juist in de onderbuik en de ledematen (de stofwisselings-ledenmatenpool ). Daar heerst helemaal geen bewustzijn. Er is ook geen direct contact met de buitenwereld. Alles wat via ons voedsel binnenkomt wordt volledig afgebroken en chemisch zo veranderd dat ons lichaam het kan opnemen. Maar in tegenstelling tot de bovenpool, heerst er in de onder pool juist ontzettend veel levenskracht (of sympathie krachten). Cellen worden dagelijks afgebroken en weer vernieuwd, er is ook veel beweging en de buik houdt van warmte. Maar in de wilspool is er geen bewustzijn. Denken en willen zijn dus elkaars tegenpool. Daartussen beweegt zich het middengebied van het Voelen (het ademhaling- bloedsomloop systeem) . Daar is via de ademhaling contact met de buitenwereld, maar via de bloedsomloop niet. Soms heerst er bewustzijn maar soms ook niet (we kunnen onze adem inhouden als we dat willen, we kunnen met onze wil niet ons hart stopzetten, en 's nachts ademen we onbewust door)
Op de Vrije School is de leerstof in de eerste plaats ontwikkelingsstof. Het leerplan is zo opgebouwd dat kinderen worden aangesproken in hun willen en in hun voelen. In het willen door alles wat er bewogen wordt; het lopen van ritmes, het klappen van de tafels en alles wat al doende wordt geleerd (willen is handelen). Door middel van kunstzinnige activiteiten spreken we bij het kind het voelen aan. Via verhalen creƫert het kind zijn eigen beelden, gebruikt zijn eigen fantasie. Bij het schilderen en tekenen, maakt het kind kennis met de wereld van de kleur. Het leert door het doen en zelf ervaren wat de kwaliteiten van de verschillende kleuren zijn en wat voor effect ze hebben (het geel straalt en blauw is rustig).

De letters eerst als beeld leren kennen

Het lezen vloeit als vanzelfsprekend voort vanuit het leren schrijven

Door het kind bij het leren lezen letterbeelden aan te bieden, spreek je ook het gevoel aan en niet het intellect (denken). Steiner gaat ervan uit dat de mens in zijn ontwikkeling van baby naar volwassenheid, de hele mensheidsontwikkeling doormaakt, in een versneld tempo. Daarom begint het leren schrijven van de letters en het leren van hun klanken bij het tekenen. Daar waar het in de ontwikkeling van het schrift ook ooit begonnen is. Ze tekenen een tafel uit het sprookje van "tafeltje dek je". En de klank T, wordt daar al gauw mee verbonden om nooit meer los te laten.
De kinderen tekenen, schilderen of boetseren de letterbeelden en schrijven woorden, zinnetjes, verhaaltjes en versjes van de schoolbord over in hun eigen schriften. Op deze wijze leren ze ook het lezen aan. Daar wordt dus aanvankelijk geen gedrukte leesboeken gebruikt, maar de eigen schriften. Later wordt het lezen ingeoefend door mooie verhalen, passend bij de leeftijd, te gebruiken.
In het traditioneel onderwijs leren de kinderen allemaal tegelijk lezen (zo rond kerst). Daarbij wordt alleen een beroep gedaan op hun geheugen (het denken). De tekens die ze aan het begin van het jaar krijgen aangeboden zeggen hen verder niets (zoals wij Japanse tekens zouden moeten leren). De kinderen op een Vrije School leren in het algemeen een stuk later lezen. Ook is er veel verschil te zien in het tempo waarin ieder kind het lezen zich eigen maakt. De kinderen hebben soms het idee dat ze nooit hebben leren lezen. Ze konden het opeens, vinden ze. Blijkbaar gaat deze manier van leren ongemerkt.
Let op, het gaat hier om het beeld dat door de letterteken zelf wordt opgeroepen en via een verhaal of gedichtje vastgelegd wordt, niet om het nabootsen van de beginklank van een woord. De letter K kan een beeld van een koning met zijn scepter oproepen wanneer het op kunstzinnige wijze gepresenteerd wordt en door middel van een verhaal aangeboden wordt. Het is dus niet de bedoeling dat een beeld van bv. een aap gebruikt wordt om het woord aap te introduceren!


De Vrije School is een school voor hoofd, hart en handen.

woensdag 27 januari 2010

Het aanleren van de Engelletters (klinkers)



De klinkers worden niet op dezelfde wijze met de medeklinkers geleerd. Zij bezitten een heel andere kwaliteit. Waar de medeklinkers de uiterlijke vorm in de spraak bepalen, zijn de klinkers juist directe gevoelsuitingen. Wanneer we iets uit de grond van ons hart zeggen, doet ons hele lichaam daarbij mee. Vooral kinderen hebben dat nog sterk. Ah, roepen zij bewonderend als zij iets moois zien en spreiden daarbij de armen ernaar uit. De klinkers worden daarom vanuit de gebaren aangeleerd.
Uit: "Van Verhaal tot Taal" Werkplan Geert Groote School Amsterdam

 De eurythmie gebaren lenen zich uitstekend voor, het zijn immers de oer gebaren van de klanken die wij met eurythmie uitbeelden.


HET KLINKERSPELLETJE
voor de kleintjes

(Dit wordt vanuit een kring gedaan).

 





A
Naar de aarde.
Naar de aarde,
gaat de warme zonnestraal.








E
Neem mij mee
Neem mij mee
zegt de kleine lentefee.











I
Hier met zwier
Hier met zwier,
giert de wind
en maakt plezier.











O
Komt een wolk,
een grote wolk,
voor het lieve zonnevolk.









U
En nu ? En nu ?
Neem een flinke paraplu.
Want het regent, dat het giet !
Vlug naar huis en wachten niet.


Hermien Ijzerman


De klinkers brengen een bepaalde stemming:


A drukt verbazing of verwondering uit.
Een zich openend gebaar.

Tot zichzelf komen, innerlijk beleven.
Afsluiten voor de buitenwereld.

Zelfbevestiging, in de eigen kracht staan.
O - begrijpen, omvatten, liefdevolle verbinding,
      omhullen.

Naar boven gericht brengt dit gebaar een verbinding met de hogere krachten. Het kan ook een insluitend maar tezelfdertijd vloeiende stemming weergeven.









Euritmiefiguren en uitleg van betekenis (in het Duits) te vinden op: http://www.anthroposophie-muenchen.de/index.php?id=294