donderdag 15 juli 2010

Woorden leren schrijven


Woorden Leren Schrijven

aa














Hieronder een aantal voorbeelden van woorden waarbij het directe beeld niet noodwendig meer gebruikt werd. Uiteraard wordt dit pas toegepast wanneer de kinderen al met de letters hebben kennis gemaakt. De voorbeelden werden gebruikt aan de hand van verhaaltjes of gedichtjes en binnen zinsverband gebruikt. Daarna pas worden de woorden aangeboden zodat bewustzijn gewekt wordt voor de klanken, zoals bij voorbeeld woorden met een aa- of ui- klank en zo voort. Hierbij horen ook rijmspelletjes of raadspelletjes waarbij sommige klanken niet opgeschreven worden en de kinderen zelf aanvullen.
















Dit alles moet natuurlijk aangepast worden bij het niveau van de kinderen waarmee op een bepaald moment gewerkt wordt. De klanken alleen bieden al een heel belangrijk ontwikkelingstraject voor kinderen met een ontwikkelingsachterstand; het is zelfs een essentieel onderdeel van het onderwijsaanbod voor kinderen met spraak en taalachterstand; ook niet-sprekende kinderen hebben hier baat bij. De beelden werken ondersteunend voor alle kinderen en de kinderen die het wel op kunnen pakken leren de geschreven woorden dan ook.
boom
















De woorden werden ook voor de oudere kinderen bij het picto-lezen (computerprogramma) gebruikt en kon op deze wijze herkent en ingeprent worden.

Voor de kinderen met leen leer achterstand is het al een heel uitdaging om hum eigen naam te leren schrijven. Als het dan uiteindelijk lukt, beleven ze veel vreugde daaraan.




Zinnetjes leren schrijven

Zinnetjes Leren Schrijven

 

De liedjes en gedichtjes die de kinderen leren lenen zich uitstekend voor het leren schrijven van volle zinnen. Ook de verhalen kunnen gebruikt worden.

Spinnetje, spinnetje in je web…
Weet je dat ik veel vriendjes heb?
Hele grote en hele kleine,
Hele leuke en hele fijne!
Spinnetje, spinnetje in je web,
Leuk dat ik ook jou als vriendje heb.


Er was eens een molenaar. Hij was arm maar hij had een mooie dochter.
Er was eens een klein arm meisje. Ze had niets meer dan een stukje brood.



 



donderdag 1 juli 2010

De Letter X

De letter X







HOE XAPO, DE BOSDUIVEL, ZIJN STAART EN HOORNS VERLOOR.

De bosduivel Xapo lag heerlijk te slapen.

Hij had een zacht bemost plekje uitgezocht onder een dikke boom.

Hier was het heerlijk koel. Maar ook een dikke bromvlieg vond dit een goed plekje en kwam boven op zijn neus zitten. Verschrikt werd Xapo wakker en sloeg nijdig naar de vlieg. Maar de vlieg bleef om zijn hoofd snorren en ging zelfs niet weg, toen Xapo met zijn staart naar haar sloeg.

"Toe," zoemde de vlieg, "sla me niet, dat heb ik toch niet aan je verdiend. Ik wilde je juist een goede dienst bewijzen." .

Dit antwoord maakte Xapo nieuwsgierig en dus vroeg hij: "Vertel mij dan eens waarom je mij wekte? Maar denk er aan, wanneer je antwoord mij niet bevalt, sla ik je toch nog plat."

"Tu, tu, tu!" riep de vlieg. "Wat een drukte maak je vandaag beste Xapo!"

Ze zoemde nu dicht bij zijn oren en zei: "Ik wekte je, om je te vertellen, dat er ginder bij de bosvijver een lief meisje zit, Het arme deerntje is verdwaald en zit nu moe en verdrietig aan de rand hij het water. Zou jij dat arme meisje de weg niet willen wijzen, Xapo?"

"Wel" riep de bosduivel blij, "dat is net iets passends Voor' mij. Ik heb trouwplannen beste vlieg en wil dus graag dit meisje zoeken. Van zo'n lelijke bosduivelin met staart en hoorns wil ik niets weten. Ik zoek een mooiere gade uit."

Xapo sprong dus blij op en wilde juist naar de bosvijver gaan om het allerliefste meisje te zoeken, toen de vlieg aan zijn oor zoemde: "Als het meisje jouw lelijke staart en hoorns ziet, zal ze je toch niet willen trouwen. Ze slaat op de vlucht."

"O wee ", dacht Xapo, "daar kan die vlieg wel eens gelijk aan hebben

"Weet jij er raad op?" vroeg hij. "Tja," antwoordde de vlieg, "je kunt naar de heks Filijn gaan, die hele knappe toverdranken brouwt. Misschien heeft zij een middel om je staart en hoorns te laten verdwijnen. Maar het duurt natuurlijk een dag of drie, tot dat drankje klaar is."

"Drie dagen!" riep Xapo wanhopig uit. "Dat is veel te lang. Dan is het snoezige meisje al uit het bos verdwenen. Neen, beste vlieg, wanneer je mij werkelijk wilt helpen, moot je iets bedenken, wat vlugger gaat."

"Nu dan," sprak de vlieg?" ga naar de houthakker en haal uit zijn schuur een zaag. Daarmee zaag je eenvoudig je staart en hoorns af. Maar natuurlijk kan ik je niet vooruit zeggen of de schuur op slot is, want dan zal je moeten wachten, tot de houthakker thuiskomt."

,,0," zuchtte Xapo diep, "dat duurt dan ook te lang. Neen vlieg, het moet nog vlugger gaan. Bedenk eens goed of je iets beters weet."

"Wel," sprak de vlieg en haar zoemen werd steeds vleiender. "Een raad kan ik je nog geven, dan weet ik niets meer en vlieg heen."

"Wat is het dan? Vertel het me vlug, want anders is dat lieve meisje toch al verdwenen."

"Nu luister goed Xapo," zei de dikke bromvlieg, "het is een eenvoudig middel. Je -bindt je staart stevig om je beide hoorns, je zoekt een sterke tak uit en haakt het hele geval er aan. Dan trek en ruk je net zo lang tot de staart en hoorns afknappen. Dat is alles."

"Hoelihoolee!" riep Xapo blij en gooide zijn bokkenpoten in de lucht. "Je bent een slimme vlieg, een knappe vlieg en ik volg je raad dadelijk op."

Xapo haastte zich dus te doen, wat de vlieg had gezegd. Hij bond zijn staart stevig om zijn beide hoorns, zocht een dikke sterke tak en haakte daaraan zijn staart.

Met een flinke ruk sprong hij naar voren.

"Krakkrak," kraakte alles.

"Au, au o wee," jammerde Xapo, want de domme bosduivel had er niet bij nagedacht, dat het afrukken pijn deed. Hij zou graag nog luider willen jammeren, maar tegenover de vlieg hield hij zich groot. 0, wat had hij een pijn: "Ben ik mijn staart en hoorns kwijt?" dacht hij en keek achterom.

Daar hingen zij aan de dikke tak en vlug sprong Xapo nu weg in de richting van de vijver.

"Zoem, zoem, zoem," bromde de vlieg en vloog hem achterna.

Zij zette zich op zijn oor en fluisterde: "Dat komt ervan. Wanneer je zo ijdel bent, wordt je voor de mal gehouden. Ga gerust naar het zachte plekje onder de 'boom terug en doe opnieuw een dutje, want er is nooit een meisje bij de bosvijver geweest..."

Voordat Xapo stilstond, was de slimme vlieg al hoog in de lucht, waar de duivel haar niet kon grijpen.

Woedend was Xapo. Maar wat hielp hem dat?

De bromvlieg had hem een poets gebakken. Zijn staart en hoorns was hij nu voor goed kwijt.

Hij had nog pijn aan de plekken waar zij gezeten hadden. Maar het allerergste was, dat alle bosduivels hem zouden uitlachen en dat geen trollevrouw naar hem zou willen kijken.

Welke bosvrouw wil nu met een bosduivel trouwen, die geen staart en geen hoorns meer heeft?

Verhaal en afbeeldingen van Hermien IJzerman uit de bundel "Lettersprookjes"

maandag 21 juni 2010

Diverse Klankversjes


Klinkende Klanken

Diverse klankversjes



Ahoei ahoei ahoei,
Ik waai ik gier ik loei
Ik ben de wind,
De gierende wind.
De hevige wind,
Het hemelse kind
Ahoei ahoei ahoei,
Ik waai ik gier ik loei
H. IJzerman










Onweer - allliteratie van medeklinkers en gevoelswaarden van klinkers.

Flitsende lichten klieven door
Rollende wolken grauw en grijs
Woelige woeste wateren
Wilde golven kletteren en klateren
Word jij soms bedolven onder de golven?
Nee, de wilde winden gaan weer liggen
Zachtjes wiegt het bootje op de wijde oceaan
Stralende zonneschijn in de blauwe hemel
Rust is weer gekeerd
H. IJzerman












Plep, plap, plip daar kom ik in een wip.
Plep, plap, plop daar kom ik in galop.
Plep, plip, plap daar kom ik op de trap.
Plet, plat, pluit,spet, spat, spuit.
Daar kom ik het water uit.






Waterschap houdt adem in: hoeveel regen komt er nog?
Tik tik tak, tik tik tak,             
tikt de regen tegen het dak.
tik tik tak, tik tik tak
tikt het telkens op de tegels                
op de tegels telkens weer.






Kraan- of stellingzaag. Uit: Bernard van Dam, Brabants DorpslevenDe timmerman zaagt met zijn zig-zag zaag
Met zijn zingende, zwingende zig-zag-zaag
Hij zwetst niet, hij kletst niet,
Hij zwoegt toch zo graag
Met zijn zingende, zwingende zig-zag-zaag
  
De timmerman schaaft met zijn schaaf zo scherp,                                          
Hij schaaft zo licht en zonder gesnerp.                                            
Hij schaaft niet schuin, niet schots, niet scheef,                                           
Maar vlak en nergens over de schreef.    

 

Een verhaaltje bij meerdere letterbeelden

Een verhaal bij de letters B, F, G, H, J, K, L, N, S en T

Bordtekening doorAngela Chan
Er was eens een koning die heel graag op jacht ging. Toen hij een kleine jongen was kreeg hij van zijn vader een prachtige jachthoorn. Het was een mooie hoorn, met goud beslagen. Iedere keer als een jachtpartij aangekondigd moest worden, blies de koning zelf op de jachthoorn om alle jagers bijeen te roepen om op jacht te gaan. Dan kwamen ze allen en vertrokken samen naar het bos. Wanneer iedereen in het bos aan het jagen was en het werd weer tijd om naar huis te gaan, moesten ze weer op een plek verzamelen. 
Dan blies de koning op zijn kostbare jachthoorn om iedereen bijeen te roepen. Het was te gevaarlijk om s ’nachts in het bos te blijven. Er waren vele wilde dieren zoals beren, wolven en slangen in het bos.
Op een dag waren alle jagers weer samen met de koning op jacht gegaan, en het begon al een beetje te schemeren. Ze waren een beetje te laat, het werd echt tijd om te vertrekken! De koning pakte zijn jachthoorn en blies. Van overal kwamen de jagers aan. Alles werd weer opgepakt en ze waren net zover dat ze wilde vertrekken, maar ze wachten nog op een van de jagers, Jos genaamd. De koning blies weer een keer op zijn hoorn. De koning hing zijn hoorn aan een tak en bukte om zijn boog op te pakken en om zijn lijf te zetten zoals jagers het altijd doen wanneer zij onderweg waren. Op hetzelfde ogenblik sprong er ineens een grote bruine beer uit de bosjes. Iedereen schrok en sprong meteen op hun paard en galoppeerde zo snel als mogelijk weg!

 Pas toen zij al lang weer allen thuis waren en de koning al in zijn paleis zat te luisteren naar de muzikanten die hem altijd in de avond vermaakte met mooi muziek en prachtige liederen en ballades, schoot het hem ineens te binnen dat hij zijn jachthoorn in de boom, aan een tak, heb vergeten!
O wat een ellende! De koning was radeloos. Hij was ook boos op jager Jos, want het was zijn schuld dat ze daar noch zo laat hebben moeten blijven, in dat gevaarlijk bos! En daardoor hangt zijn jachthoorn nu daar, midden in de nacht, aan een tak! Er kan van alles mee gebeuren! Dieven kunnen het mooie met goudbeslagen jachthoorn wel meenemen, of wilde dieren kunnen het te pakken krijgen en er mee vandoor gaan! En zo gebeurde het dat de dienaren naar het huis van jager Jos gingen, om aan hem te vertellen wat gebeurd is en om aan hen te zeggen dat hij maar een plan moet maken om de jachthoorn van de koning zo snel mogelijk terug te bezorgen aan de koning…….

Intussen was jager Jos al lang thuis in zijn eigen huis. Hij lag te slapen in zijn bed! Hij wist van niets. Hij was moe van het jagen en kroop al vroeg tussen de veren! Ineens hoorde hij zijn ganzen heel luid roepen. Gak, gak, gak, klonk het buiten in de donkere nacht. Ganzen zijn goede waakdieren en als ze zo tekeergaan, is er iets aan de hand!  Er zijn vreemdelingen op de werf!
Misschien zijn het schapendieven of misschien is het een vos bij het kippenhok. Hij sprong uit bed, en in zijn haast haakte zijn voet aan de laken en scheurde de laken met een girrrrts - daar zat een grote scheur in! 

Jager Jos stak een kaars aan en liep, met zijn licht, naar buiten om te kijken wat er aan de hand is.


Buiten zag hij een aantal dienaren van de koning, ze hadden fakkels bij zich.
Wat zou er toch gebeurd zijn? Snel vertelde de boodschappers dat de koning in zijn haast zijn gouden jachthoorn in het bos, aan een tak, heeft laten hangen. Jager Jos weet meteen wat hem te doen staat. Er zit niets anders op. Hij moet het bos in, ook al is het diep in de nacht. Hij moet naar de jachthoorn van de koning gaan zoeken, en het weer terugbezorgen aan de koning.
Een van de dienaren gaf hem een fakkel. Hij sprong op zijn paard en vertrok, richting bos. Met bonkend hart kwam hij aan de rand van het bos aan. Voorzichtig reed hij verder, steeds met zijn fakkel omhooggehouden zodat hij zo goed als mogelijk om hem heen kon zien. Het was heel stil in het bos, maar op een keer hoorde hij wel een sissend geluid…. Ssssssss…. Het paard schrok en stopte in zijn sporen. Na een tijdje durft het paard weer verder te gaan.


De slang heeft zeker een muis gezien en is aan het jagen, dacht jager Jos. Hij rijdt verder en zoekt naar de boom waar ze die middag laat met zijn allen bij elkaar waren gekomen. Met zijn fakkel omhooggehouden ging hij steeds verder het bos in. Ineens zag hij iets schitteren in een boom. Hij ging voorzichtig nader en ja, hoor! Daar hing de gouden jachthoorn van de koning in een boom. Net toen hij met zijn paard onder de boom stond en zijn arm uitstak naar de jachthoorn, sprong dezelfde bruine beer weer uit de bosjes vlakbij! Wat niemand wist, is dat daar een bijen nest in de boom was, en daarom blijft de beer ook steeds daar in de omgeving van de boom. Beren lusten namelijk heel graag honing! En waar een bijen nest is, is honing!
Jager Jos schrok, greep nog even naar de jachthoorn en daar brak de tak van de boom! Met tak en jachthoorn samen reed hij zo snel hij kon het bos uit! In de schrik liet hij zijn fakkel vallen maar het deerde niet. Zijn paard vond de weg wel.

Zo kwam hij tegen lichtdicht bij het paleis aan. Gelukkig was de jachthoorn niet beschadigd en kon hij het weer aan de koning terugbezorgen! De koning was uiteraard heel blij dat hij zijn jachthoorn weer terug had.
 En toen jager Jos tuis kwam, was zijn vrouw alweer bezig om de gescheurde laken met een naald en draad dicht te naaien. Zij was blij om haar man weer levend terug te zien. Wat een gevaarlijk avontuur! Gelukkig was zij zo blij om Jos terug te zien, dat zij niet boos was over de gescheurde laken. Zij naaide het weer zo goed als nieuw, met haar naald. Jager Jos zorgde vanaf die dag wel dat hij altijd op tijd weer bij de verzamelplaats aankwam na een jachtsessie.




vrijdag 18 juni 2010

De Letter Z

De letter Z


De zes zwanen

De gebroeders Grimm

Een koning jaagde eens in een heel groot bos en zette een hert met zoveel drift na, dat geen van de jagers hem bij kon houden. Toen de avond viel, hield hij zijn paard in, keek om zich heen en zag dat hij verdwaald was. Hij zocht een uitweg, maar kon er geen vinden. Opeens kwam er een oude vrouw aan met een wiebelhoofd, die op hem afkwam; maar dat was een heks.
“Vrouwtje,” zei de koning, “kun je me de weg niet wijzen?”

“Ja zeker, heer koning,” zei ze, “dat kan ik best. Maar op één voorwaarde. Vervult u die voorwaarde niet, dan komt u het bos nooit meer uit – en moet u van honger sterven.”

“Wat is dat dan voor een voorwaarde?” vroeg de koning.

“Ik heb een dochter,” zei het oude mens, “en ze is zo mooi, er is geen mooier meisje op de wereld, en ze verdient het, uw vrouw te worden; als u haar tot koningin maakt, dan wijs ik u de weg uit het bos.”

In zijn angst stemde de koning daarmee in en het oudje bracht hem naar haar huisje, waar haar dochter bij het vuur zat. Ze ontving de koning alsof ze hem al verwacht had, hij zag wel dat ze mooi was, maar helemaal beviel ze hem niet, en hij kon haar zonder een gevoel van afgrijzen niet aankijken. Maar hij hief het meisje voor zich op het paard, de oude vrouw wees hem de weg, en de koning bereikte het koninklijk slot weer, waar de bruiloft werd gevierd.

Nu was de koning al eens getrouwd geweest, en bij zijn eerste vrouw had hij zeven kinderen, zes jongens en een meisje. Die waren hem het liefst van alles op de wereld. Maar hij was bang dat de stiefmoeder hen niet goed zou behandelen, of hen zelfs kwaad kon doen; daarom bracht hij hen naar een eenzaam slot, dat midden in een bos stond. Het lag zo verscholen, en de weg erheen was zo moeilijk te vinden, dat hij er zelf nooit gekomen zou zijn, als niet een wijze vrouw hem een kluwen garen gegeven had van wonderlijke kracht. Als je die vóór je uit gooide, liep hij vanzelf uit en wees de weg.

Nu ging de koning zo dikwijls naar zijn zeven kinderen toe dat de koningin argwaan kreeg, ze wilde weten wat hij altijd zo alleen in dat bos deed. Zo gaf ze aan een lakei een massa geld en die verried haar ‘t geheim en vertelde ook van die kluwen die alleen vooruit rolde en de weg wees. Nu had ze geen rust, tot ze uitgevonden had, waar de koning die kluwen bewaarde. Ze maakte toen kleine, witzijden hemdjes, en omdat ze van haar moeder heksenkunsten had geleerd, naaide ze er toverkracht in. En op een keer dat de koning weer op jacht was, nam zij de hemdjes en de kluwen en ging naar het bos, en de kluwen wees haar de weg. De kinderen zagen uit de verte iemand aankomen; ze dachten dat het hun vader was – en juichend holden ze hem tegemoet. Ze wierp elk van hen een hemdje om en toen dat hen aanraakte, veranderden ze in zwanen en vlogen over de bomen weg. De koningin ging opgewekt naar huis en dacht, dat ze nu van die stiefkinderen af was; maar het meisje was niet met de broers naar buiten gekomen, en ze had niets van haar gemerkt. De volgende dag kwam de koning weer op bezoek bij zijn kinderen, maar hij vond alleen het dochtertje.

“Waar zijn de jongens?” vroeg de koning.

“Och vaderlief,” antwoordde ze, “die zijn weg en ze hebben mij alleen gelaten,” en ze vertelde hem, dat ze uit haar kamertje gezien had, hoe haar broers als zwanen over de bomen waren weggevlogen. En ze liet hem de veren zien, die ze in de tuin hadden laten vallen en die ze had opgeraapt. De koning werd heel bedroefd, maar hij kwam niet op de gedachte, dat de koningin die misdaad zou hebben begaan; integendeel, hij was bang dat zijn dochtertje ook nog geroofd zou worden en hij wilde haar mee naar huis nemen. Maar ‘t meisje was bij voorbaat al bang voor de stiefmoeder, en smeekte de koning om tenminste deze nacht nog op het slot in het bos te mogen blijven.

Het arme meisje dacht bij zichzelf: “Blijven doe ik zeker niet. Ik wil de broers gaan zoeken.” En toen het nacht werd, vluchtte ze, en liep zacht het bos in. Ze liep de hele nacht door, en de dag daarop ook, al maar voort, tot ze van vermoeienis niet verder kon. Toen zag ze een jachthut; ze ging erin en vond een kamer met zes kleine bedjes. Ze durfde er niet in gaan liggen, maar ze kroop onder één van de bedjes, op de harde grond, en daar wou ze de nacht doorbrengen. Maar kort voor zonsopgang hoorde ze een geruis en kijk, zes zwanen kwamen het venster binnengevlogen. Ze gingen op de grond staan, ze bliezen naar elkaar en bliezen zichzelf alle veren af, en hun zwanenhuid stroopte af als een hemd. Nu keek het meisje hen aan en ze herkende hen, het waren haar broers en ze kroop onder ‘t bed uit. De broers waren hartelijk blij, toen ze hun zusje zagen – maar hun vreugde duurde maar kort.

“Hier kan je niet blijven,” zeiden ze tegen haar, “want dit is een rovershol. Komen ze thuis en vinden ze je, dan vermoorden ze je.”

“Kunnen jullie me dan niet beschermen?” vroeg het zusje.

“Nee,” zeiden ze, “want we kunnen elke avond maar een kwartier onze zwanengestalte afleggen en dan hebben we mensengedaante, maar meteen worden we weer in zwanen veranderd.” Het zusje begon te schreien en zei: “Maar kunnen jullie dan niet verlost worden?”
“Och nee,” zeiden ze, “dat is veel te moeilijk. Je zou zes jaar lang niet mogen spreken en niet lachen, en je zou in die tijd zes hemden voor ons moeten naaien van asters. Komt er ook maar één enkel woord uit je mond, dan is alles vergeefs geweest.” En nauwelijks hadden de broers die woorden geuit, of het kwartier was om, en ze vlogen als zwanen weer het venster uit.

Maar het meisje had haar besluit genomen. Zij wilde haar broers verlossen, al ging het om haar leven. Ze verliet de jachthut, ging ‘t bos weer in, ging in een boom zitten en bracht daar de nacht door. De volgende morgen ging ze asters zoeken en begon ze te naaien. Praten kon ze toch met niemand, en lachen viel haar niet eens in; ze zat maar en keek naar haar werk. Toen ze daar al een poos zo had geleefd, kwam de koning van ‘t land er jagen; zijn jagers kwamen bij de boom waar het meisje in zat. Ze riepen haar toe en zeiden: “Wie ben je?” Ze gaf geen antwoord. “Kom bij ons,” zeiden ze, “we zullen je niets doen, hoor.” Maar ze schudde ‘t hoofd. Toen ze haar steeds maar met vragen lastig vielen, gooide ze haar gouden ketting naar beneden om hen tevreden te stellen. Nog gingen ze niet weg. Toen liet ze haar gordel vallen; en toen dat geen uitwerking had, haar kousenbanden; en zo het een na het ander, alles wat ze aan had en missen kon. Tenslotte hield ze niets meer aan dan haar hemd. Nog lieten de jagers haar niet met rust, maar ze klommen de boom in, haalden haar naar beneden en brachten haar naar de koning.

De koning vroeg: “Wie bent u? Wat deed u daar in die boom?” Maar ze gaf geen antwoord. Hij vroeg het in andere talen die hij kende, maar zij bleef zo stom als een vis. Maar ze was zo mooi. Het hart van de koning werd bewogen; en hij vatte een grote liefde voor haar op. Hij sloeg zijn eigen mantel om haar heen, zette haar voor zich op het paard, en bracht haar op zijn kasteel. Daar liet hij haar kleden met rijke gewaden; ze straalde nu zo lieflijk als de morgen, maar er was geen woord uit haar te krijgen. Aan tafel liet hij haar naast zich zitten; haar bescheiden en zedige houding maakte zo’n indruk op hem, dat hij zei: “Deze zal ik trouwen, en geen ander op de hele wereld.” En enige dagen later werd het huwelijk voltrokken.

De koning had evenwel een boze moeder. Zij was het niet met dit huwelijk eens, en sprak kwaad van de jonge koningin. “Wie weet waar die meid die niet spreken kan vandaan komt; zij is een koning niet waardig.” Toen de koningin na een jaar haar eerste kind ter wereld bracht, nam de oude vrouw het weg terwijl zij sliep en bestreek haar mond met bloed. Daarop ging zij naar de koning en klaagde de koningin aan, dat zij een menseneetster was. De koning wilde het niet geloven en stond niet toe dat men haar enig leed berokkende. De koningin zat echter voortdurend aan de hemden te naaien en schonk aan niets anders aandacht. Toen zij de volgende keer weer een gezonde jongen ter wereld bracht, pleegde de valse schoonmoeder hetzelfde bedrog, maar de koning kon er niet toe komen enig geloof aan haar woorden te hechten. Hij sprak: “Zij is te vroom en te goed om zoiets te kunnen doen; als zij niet stom was en zij kon zich verdedigen, dan zou haar onschuld aan het licht komen.” Maar toen de oude voor de derde maal het pasgeboren kind roofde en de koningin aanklaagde die geen woord tot haar verdediging uitbracht, kon de koning niet anders doen dan zij aan het gerecht overleveren, dat haar veroordeelde tot de vuurdood.

Toen de dag aanbrak dat het vonnis zou worden voltrokken, was tevens de laatste dag van de zes jaren voorbij, gedurende welke zij niet had mogen spreken of lachen en zij had dus haar geliefde broers uit de macht van de betovering bevrijd. De zes hemden waren gereed, alleen aan het laatste ontbrak nog de linkermouw. Toen zij nu naar de brandstapel gevoerd werd, legde zij de hemden over haar arm en toen zij er bovenop stond en men op het punt stond het vuur aan te steken, keek zij om zich heen: daar kwamen door de lucht zes zwanen aanvliegen. Zij zag dat haar verlossing nabij was en haar hart sprong op van vreugde.

De zwanen ruisten naar haar toe en daalden neer, zodat zij de hemden over hen heen kon werpen en toen zij daardoor werden aangeraakt, vielen hun zwanenhuiden af en haar broers stonden in levenden lijve voor haar en waren jongen schoon; alleen de jongste miste zijn linkerarm en had in plaats daarvan een zwanenvleugel op zijn rug. Zij omhelsden en kusten elkaar en de koningin ging naar de koning, die geheel onthutst was, en zij begon te spreken en zei: “Liefste echtgenoot, nu mag ik spreken en je onthullen dat ik onschuldig ben en valselijk aangeklaagd”, en zij vertelde hem van het bedrog van de oude vrouw die haar drie kinderen had weggenomen en verborgen. Toen werden zij tot grote vreugde van de koning te voorschijn gebracht en de boze schoonmoeder werd voor straf op de brandstapel vastgebonden en tot as verbrand. Maar de koning en de koningin met haar zes broers leefden nog vele jaren in vrede en geluk.

EINDE

De Letter Y

De letter Y en  IJ




De ijsjesletter - hoewel het altijd beter is om de beelden uit de natuur te halen, of minstens een beeld te gebruiken waarmee iets oer menselijks uitgebeeld wordt, kies ik zo nu en dan een ander beeld. 


De kinderen waren wat ouder en hoewel de ijspegel zich voorheen hier goed toe leende, (een verhaaltje over een reuze Ijspegel voor de voordeur) was dat voor de (stads) kinderen met een ontwikkelingsachterstand een onbekend object. En zo een ijsje spreekt wel erg aan.....

Het is natuurlijk wel een i-grec. Gelukkig brengt Hermien IJzerman weer uitkomst. Hieronder volgt een verhaal van haar - Ysbrand de smid. Het is vanzelfsprekend weer eens nodig om het te vereenvoudigen voor de kinderen met een ontwikkelingsachterstand. Een heel eenvoudig gedichtje over een smid voldoet ook al. Geeft hem een naam en breng hem tot leven met een paar interessante staaltjes, aansluitend bij de beleveniswereld van de kinderen.


De Smid

De hamer slaat, de hamer slaat
Op 't aambeeld hier van vroeg tot laat.
Het vuurtje vlamt nu rood en fel,
De slagen klinken hard en schel,

En wat de smid hier smeedt en doet,
Dat maakt bij goed!
Hij smeedt de ijzers voor het paard,
Hij vormt ze rond en slaat met vaart,
Zijn hamer slaat hij flink en sterk,
Oef hei! - De smid is hier aan 't werk!
Kom mijn paardje, kom hier staan,
Leg ik je de ijzers aan,
't Harde ijzer aan je hoeven,
Dat je straks kunt trekken, zwoegen,
Straks kunt draven bij je werk,
Want je hoeven zijn weer sterk.

'k Sla de spijkers een voor een
Door de kleine gaatjes heen,
Dringen in de hoornen hoef,
Zitten stevig zo en stroef.
Klip, klap, klop, zeg, hoor je 't wel,
Straks draaf jij weer flink en snel.

H. IJ.-v. B.
uit het groene Boeke ‘Gedichten, Spreuken, Oefeningen’