vrijdag 18 juni 2010

de Letter W

De letter W

De Water letter

W



Wind en water en wilgenboom.
Woest waaien de wilde winden
Wolken worden zwaar en
Golven worden omhoog geworpen.
Wind en water en wilgeboom

De Letter V

 De letter V

Vogelletter of vlinderletter

De Vuurvogel
Er was eens een boer die drie zonen had. De twee oudsten waren ijverig en werkte hard op het land. Maar de jongste was lui. Hij liet zijn twee oudste broers werken.
Nu zag de boer op een ochtend, dat van de mooiste boom in zijn boomgaard, de appels waren gestolen.
Dat moest in de nacht gebeurd zijn. Wie was de dief? De daarop volgende nacht gebeurde hetzelfde.
De boer werd boos want de boomgaard was zijn beste bezit.
De oogst beloofde dit jaar juist groot te zullen worden. Hij wilde nu te weten komen, wie de brutale dief was.

Daarom liet hij zijn drie zoons om de beurt in de nacht waken bij de bomen. De oudste moest de eerste nacht de wacht houden. Toen het nacht werd, ging hij onder een van de appelbomen liggen. Maar de volgende ochtend was de appelboom leeg! De oudste broer was in slaap gevalleb en zag niet wie de appels meenam.

Nu was de tweede zoon aan de beurt om te waken. Maar ook hij viel in slaap en zijn appelboom werd leeggeroofd zonder dat hij het merkte.

Toen was de jongste zoon aan de beurt. Hij kondigde aan dat hij heel de dag ging slapen. Dan is hij niet moe in de nacht en kan hij blijven waken.

Toen het avond werd schudden zijn broers hem wakker. Nu ben jij aan de beurt. Kijk maar wat jij daarvan maakt! De jongste broer rekte zich flink uit en gaapte luid. Daarna liep hij regelrecht naar de bijenkorven van zijn vader. De zon ging net onder. De laatste bijen kwamen de korf binnen gevlogen. Ze hebben heel de dag hard gewerkt. Ze bezochten de bloemen om honing te verzamelen. De jongen hield een flesje voor de ingang. Sommige bijen waren al zo moe, dat ze niet eens zagen dat ze in een flesje kropen, in plaats van in de korf. Toen deed de jongen er een doekje over zodat zij er niet meer uit konden vliegen, maar wel konden ademen. Hij nam ook een lang touw mee en ging op een plek zitten waar hij alle bomen in de boomgaard kon zien.

Het was donker geworden. De uren gingen voorbij zonder dat er iets gebeurde. De jongen werd steeds slaperiger van het lange wachten. Hij dommelde bijna in. Gelukkig schrok hij weer wakker en greep naar het flesje. Hij deed het open en de bijen vlogen uit. Zij merkten meteen dat zij niet in de korf waren en werden heel boos. Zij staken de jongen! Zij staken hem in zijn nek, op zijn handen en eentje stak hem zelfs op het puntje van zijn neus! Het brandde erg en daarom sliep hij niet meer in!

Ineens hoorde hij een wild gedruis in de lucht. Wat kan het zijn? Hij keek op en zag een prachtige vogel met vurige vleugels. Hij gaf licht in de duisternis. Het dier vloog over zijn hoofd en streek neer in de top van een appelboom. De glinsterende vogel scherpte zijn snavel op een tak en streek zijn vleugels glad. Toen begon hij een voor een de appels om zich heen weg te pikken.

Zo hier is de dief dus! De jongen nam het touw en gooide het met een handige worp om de vogel heen. Maar het touw verschroeide aan de vlammende vleugels en de vogel kwam weer vrij.

De volgende dag vertelde de jongen aan niemand wat er in de nacht gebeurd was. Zijn broers lachten hem uit want zij dachten dat hij ook in slaap was gevallen als zij. Maar de jongen ging gewoon de volgende nacht weer in de appelboord waken. Hij nam deze keer geen touw, maar ijzerdraad mee. Ook een paar bijen in een flesje ging weer mee! Net als de vorige nacht, hielpen zij hem opnieuw wakker te blijven omdat zij hem staken!

Weer eens hoorde hij de vleugels van de vuurvogel druisen. Het dier ging weer in een appelboom zitten. Toen wierp hij het ijzerdraad zo handig, dat de lus om de vogel glijdt. De vuurvogel stond voor hem. “Geef mij mijn vrijheid terug,” smeekte het dier. “Maar jij roof de appelbomen van mijn vader leeg, ik kan jou niet vrijlaten! “ “Als jij mij vrijlaten, zal ik niet meer de appels van jou vader roven. Ik zal niets meer vernielen en jou dienaar wordt.”

De jongen vertrouwde de vuurvogel en liet hem vrij. “Klim nu op mijn rug, dan neem ik jou naar mijn meesteres.”Maar de jongen was bang dat hij zou branden aan de vlammende vleugels van de vogel. Daarop zei de vogel tegen hem dat hij in de vijver in het bos moeten baden. Dan zal hij niet branden of verschroeien als hij op zijn rug klimmen.

Dat deed de jongen meteen en toen hij op de rug van de vuurvogel klom, brandde of verschroeide hij niet. De vogel nam hem naar een schitterend paleis. Alle deuren stonden open maar er was niemand te zien. Hij liep door de zalen en gangen en kwam in een kamer geheel van marmer. Op een bank lag een beeldschone prinses te slapen. Voorzichtig boog hij over haar en gaf haar een kus op haar voorhoofd. Toen werd zij wakker en keek hem aan. Op dat moment kwam overal in het stille paleis alles tot leven.

Prachtige muziek weerklonk en de dienaren begon meteen een groot bruiloftsfeest voorbereiden. De jongeling werd tot koning uitgeroepen en trouwde met de prinses. Samen leefden zij lang en gelukkig in dat land. De vuurvogel waakte over de koning en koningin en over alle inwoners van het land.


Vuurvogel vuurvogel
Vlieg ver weg.


Vlooi vlooi kijk toch uit, zeg!
Jij springt veels te ver weg!
Verder dan de verste ver,
Straks vindt jij jouw weg terug niet meer.

Ook de vlinder kan als een mogelijke beeld bij de V- klank gebruikt vorden
Liedjes hierbij:


Vertel eens vlinder

Vertel eens vlinder, vertel eens vlinder, waar kom je vandaan
vertel eens vlinder, vertel eens vlinder, iets van je bestaan.
Ik was een rupsje, ik was een rupsje, ik zat op een blad
ik was een rupsje, ik was een rupsje en ik at daar maar wat.
Toen ging ik spinnen, toen ging ik spinnen, ik spon en ik spon
toen ging ik spinnen, toen ging ik spinnen en ik spon een cocon.
Dat is een huisje, dat is een huisje, zo zacht als satijn
dat is een huisje, dat is een huisje en daar sliep ik heel fijn.
Maar op een morgen, maar op een morgen, verloor ik mijn huid
maar op een morgen, maar op een morgen, toen kroop ik er uit.
En toen de zon scheen, en toen de zon scheen, toen merkte ik pas
dat ik een vlinder, dat ik een vlinder, dat ik een vlindertje was.
En ik kon vliegen, en ik kon vliegen, wat ik vroeger niet kon
en ik kon vliegen, en ik kon vliegen, ik vloog naar de zon.

Vlug, vlug vlindertje
Vlug vlug vlindertje
Waar vlieg jij heen?
Ik vlieg naar de zon
En ik groet jou meteen.
Vlug vlug vlindertje
met vleugels lijk dons.
breng dan aan de zon
ook een groetje van ons.


De Letter T

De letter T

Takkeletter T

Voor een verhaal hierbij zie het verhaal bij meerdere letters




Tik tak tik
Tok Tok Tok
Takken tikken tegen het raam

De letter S

De letter S

 
De witte slang   De gebroeders Grimm

Het is nu al heel lang geleden dat er een koning leefde die in het hele land beroemd was om zijn wijsheid. Niets bleef hem onbekend en het leek wel of het nieuws van de meest verborgen dingen door de lucht naar hem toegedragen werd. Hij had echter één zonderlinge gewoonte. Iedere middag, als de tafel was afgeruimd en er niemand meer was, moest een vertrouwde dienaar nog één schotel binnenbrengen. Er was een deksel op en de dienaar wist zelf niet wat er onder lag en niemand wist het, want de koning lichtte het deksel pas op en at er pas van als hij helemaal alleen was. Dat had zo al een hele tijd geduurd, totdat op een dag de dienaar die de schotel moest wegnemen, zó nieuwsgierig werd dat hij de verleiding niet kon weerstaan en de schotel naar zijn kamer bracht. Toen hij de deur zorgvuldig op slot had gedaan, tilde hij het deksel op en zag dat er een witte slang op de schotel lag. Bij het zien daarvan kon hij niet nalaten ervan te proeven. Hij sneed er een stukje af en stak het in zijn mond. Nauwelijks had hij het met zijn tong aangeraakt, of hij hoorde voor zijn venster een wonderlijk gefluister van fijne stemmetjes. Hij liep naar het raam en merkte dat het mussen waren die met elkaar spraken en die elkaar vertelden wat ze zoal in het veld en in het bos hadden gezien. Doordat hij van de slang had gegeten was hij nu in staat de taal der dieren te verstaan.



Nu gebeurde het juist op deze dag dat de koningin haar mooiste ring verloor en de vertrouwde dienaar, die overal toegang had, werd ervan verdacht hem gestolen te hebben. De koning liet hem bij zich komen, schold hem uit en dreigde dat, wanneer hij de volgende morgen de dader niet wist aan te wijzen, hij ervoor zou worden aangezien en berecht worden. Het hielp niets of hij zijn onschuld al betuigde, hij werd zonder meer de kamer uitgestuurd. Hevig verontrust en angstig ging hij naar beneden, de tuin in en dacht erover na, hoe hij zich uit deze nood moest redden. Daar zaten de eenden vredig naast elkaar aan een beekje. Zij streken hun veren glad met hun snavels en voerden een vertrouwelijk gesprek. De dienaar bleef staan luisteren. Zij vertelden elkaar waar zij die morgen zoal hadden rondgescharreld en wat voor lekker voer zij gevonden hadden. Toen zei er een wat bedrukt: “Er is iets wat mij zwaar op de maag ligt. Ik heb een ring die onder het venster van de koningin lag, in de haast mee ingeslikt.” Toen pakte de dienaar de eend meteen bij de nek, bracht hem naar de keuken en zei tegen de kok: “Slacht deze maar, het is een vette.” - “Ja,” zei de kok en woog hem op de hand, “die heeft alle moeite gedaan om zich vet te mesten en die is er allang aan toe gebraden te worden.” Hij sneed zijn kop af en toen hij werd schoongemaakt, vonden zij de ring van de koningin in zijn maag. Nu kon de dienaar zonder moeite zijn onschuld aan de koning bewijzen en - daar deze zijn onrechtvaardigheid weer goed wilde maken, stond hij hem toe een gunst te vragen en hij beloofde hem de hoogste erepost aan zijn hof die hij maar wenste.



De dienaar sloeg alles af en vroeg alleen om een paard en reisgeld, want hij wilde erop uittrekken om wat van de wereld te zien. Toen zijn verzoek was ingewilligd ging hij op weg en kwam op een dag langs een vijver waar hij drie vissen zag die tussen het riet bekneld zaten en naar water hapten. Hoewel ze zeggen dat vissen stom zijn, hoorde hij ze toch klagen dat zij zo ellendig moesten sterven. Daar hij een medelijdend hart had steeg hij van zijn paard en gooide de drie gevangenen weer in het water. Zij spartelden van vreugde, staken hun kop boven het water uit en riepen hem toe: “Wij zullen aan je denken en het je vergelden dat je ons gered hebt.” Hij reed verder en na een poosje scheen het hem toe dat hij voor zijn voeten in het zand een stem hoorde. Hij luisterde en hoorde de koning van de mieren klagen: “Als de mensen ons nu maar met die lompe dieren van het lijf bleven. Daar trapt dat domme paard met zijn zware hoeven zo maar, zonder mededogen mijn onderdanen dood.” Hij reed een zijweg in en de koning van de mieren riep hem toe: “Wij zullen aan je denken en het je vergelden.” Zijn weg voerde door een bos waar hij een ravenvader en een ravenmoeder zag die bezig waren hun jongen uit het nest te werpen. “Weg met jullie, galgenbrokken,” riepen zij, “wij kunnen jullie niet blijven voeden, jullie zijn groot genoeg om zelf voedsel te zoeken.” De arme jongen lagen op de grond, fladderden en sloegen met hun vleugels en riepen: “Moeten wij, hulpeloze kinderen, zelf ons voedsel zoeken, wij kunnen nog niet eens vliegen. Wij zullen hier van honger moeten sterven.” De brave jongeling steeg af, doodde het paard met zijn degen en gaf het als voedsel aan de jonge raven. Deze kwamen aanhippen en aten hun buikjes vol. Zij riepen: “Wij zullen aan je denken en het je vergelden.”



Nu moest hij zijn eigen benen gebruiken en na een lange weg afgelegd te hebben kwam hij bij een grote stad. Daar was een enorm lawaai en gedrang in de straten en iemand te paard maakte bekend dat de koningsdochter een gemaal zocht, doch wie naar haar hand wilde dingen moest een moeilijke opgave volbrengen en als hem dat niet gelukte, dan verspeelde hij zijn leven. Velen hadden het al geprobeerd, doch tevergeefs hun leven op het spel gezet. Toen de jongeman de koningsdochter zag was hij zo verblind door haar grote schoonheid dat hij alle gevaren vergat. Hij begaf zich naar de koning bij wie hij zich als vrijer meldde.

Dadelijk werd hij naar het strand gebracht waar voor zijn ogen een gouden ring in zee geworpen werd. De koning gebood hem deze ring van de zeebodem naar boven te brengen en voegde eraan toe: “Als je zonder die ring bovenkomt dan word je steeds opnieuw in het water gegooid tot je in de golven omkomt.” Iedereen had medelijden met de schone jongeling, maar tenslotte liet men hem eenzaam op het strand achter. Toen hij daar zo stond en bij zichzelf overlegde wat te doen, zag hij opeens drie vissen aan komen zwemmen. Dat waren de drie vissen die hij het leven had gered. De middelste had een schelp in zijn bek die hij op het strand aan de voeten van de jongeling neerlegde. Deze raapte de schelp op en toen hij hem opende lag de gouden ring erin. Opgetogen bracht hij de ring naar de koning en verwachtte dat deze hem nu de toegezegde beloning zou geven. Maar de trotse koningsdochter versmaadde hem, toen zij hoorde dat hij niet van gelijke geboorte was. Zij eiste dat hij eerst nog een tweede opgave zou volbrengen. Zij daalde af in de tuin en strooide zelf tien zakken gierst in het gras: “Die moet hij morgen voor zonsopgang opgeraapt hebben,” sprak zij, “en er mag geen korreltje aan ontbreken.” De jongeling ging in de tuin zitten en peinsde erover hoe hij deze opgave moest volbrengen, maar hij kon niets bedenken. Hij zat daar heel bedroefd en verwachtte bij het aanbreken van de dag ter dood gebracht te worden. Maar toen de eerste zonnestralen in de tuin vielen, zag hij de zakken alle tien boordevol naast elkaar staan en er ontbrak geen korreltje aan. De koning van de mieren was ‘s nachts met zijn duizenden en duizenden mieren gekomen. Vlijtig hadden de dankbare diertjes alle gierst opgeraapt en in de zakken gedaan. De koningsdochter kwam zelf beneden in de tuin kijken en zag met verbazing dat de jongeling volbracht had wat hem was opgedragen. Maar zij had de trots in haar hart nog niet overwonnen en sprak: “Al heeft hij ook de beide opgaven volbracht, ik trouw niet met hem voordat hij mij een appel van de boom des levens heeft gebracht.” De jongeling wist niet waar de boom des levens stond. Hij ging op weg en was van plan maar door te lopen zolang zijn benen hem wilden dragen maar hij koesterde niet de geringste hoop de boom des levens te vinden. Toen hij, na door drie koninkrijken getrokken te zijn, ‘s avonds in een bos kwam, ging hij onder een boom zitten en wilde slapen. Daar hoorde hij opeens geritsel in de takken en er viel een gouden appel in zijn hand. Tegelijkertijd vlogen drie raven naar beneden en gingen op zijn knie zitten. Zij zeiden: “Wij zijn de drie jonge raven die je van de hongerdood hebt gered. Toen wij groot waren en hoorden dat je de gouden appel zocht, zijn wij over de zee gevlogen tot aan het eind van de wereld, waar de boom des levens staat en daar hebben wij de appel voor je gehaald.” Vol vreugde aanvaardde de jongeling de terugtocht en bracht de gouden appel aan de mooie koningsdochter die nu geen uitvluchten meer had. Zij deelden de appel des levens en aten hem samen op. Toen werd haar hart vervuld van liefde voor hem en in ongestoord geluk bereikten zij samen een hoge ouderdom.

De Letter R


De letter R


Selma Lagerlöf - Legende van Roodborstje

Hoe het roodborstje aan haar rode veren komt


Het was in de tijd dat God de wereld schiep, toen hij niet alleen hemel en aarde maakte, maar ook alle dieren en gewassen en hun tegelijkertijd een naam gaf. Er zijn veel verhalen uit die tijd, en als men die kende, zou men ook in staat zijn alles in de wereld, wat men nu niet kan begrijpen, te verklaren.
Nu gebeurde het op een dag dat God in het paradijs de vogels zat te schilderen en dat de verf in de verfpotten opraakte, zodat de distelvink zonder kleur gebleven zou zijn, als God niet alle penselen aan diens veren had afgeveegd.

Toen kreeg ook de ezel zijn lange oren, omdat hij de naam die hij gekregen had maar niet kon onthouden. Zodra hij een paar stappen op de wei in het paradijs zette, vergat hij zijn naam. Al driemaal was hij teruggekomen om te vragen hoe hij heette en God werd wat ongeduldig, pakte hem bij beide oren en zei: "Je naam is ezel, ezel, ezel!" En terwijl hij dat zei, trok hij de oren van het dier een stukje omhoog, zodat het beter zou horen en onthouden wat hem gezegd werd.
Op die dag werd ook de bij gestraft. Want zodra de bij geschapen was, begon ze onmiddellijk honing te verzamelen en alle mensen, die merkten hoe heerlijk de honing geurde, kwamen aangelopen om te proeven. Maar de bij wilde alles zelf houden en joeg met haar giftige angel iedereen weg, die om honing kwam. Dat zag God en onmiddellijk riep hij de bij bij zich om haar te straffen. "Ik heb je de gave geschonken om honing te verzamelen, het mooiste wat er in de schepping is," zei God. "Maar daarom heb ik je nog niet het recht gegeven om hardvochtig tegenover je naaste te zijn. Onthoud dus maar goed dat je moet sterven, als je iemand steekt, die je honing wil proeven." Ja, er gebeurden die dag allerlei wonderlijke dingen. Zo werd de krekel blind en verloor de mier haar vleugels.
God, groot en vriendelijk, was de hele dag druk bezig te scheppen en in 't leven te roepen. En tegen de avond kwam het in hem op om een kleine, grauwe vogel te maken. "Onthoud goed dat je naam roodborstje is," zei God tegen de vogel, zette hem op zijn hand en liet hem vliegen.
Maar toen de vogel een poosje had rondgevlogen en de mooie aarde had bekeken, wilde hij ook zichzelf wel eens bekijken. Toen zag hij dat hij helemaal grijs was, tot zijn borst toe.

Roodborstje keerde en draaide en spiegelde zich in het water, maar hij kon geen enkele rode veer ontdekken.
De vogel vloog terug naar God, die daar zacht en vriendelijk zat, terwijl de vlinders, die uit zijn hand te voorschijn kwamen, om zijn hoofd vlogen. Duiven kirden op zijn schouders en uit het veld om hem heen bloeiden rozen, leliën en duizendschonen op.
Het hart van de kleine vogel bonsde hevig van angst. Toch vloog hij in lichte bogen steeds dichter naar God toe en uiteindelijk ging hij op diens hand zitten.
God vroeg wat hij wenste.
"Ik wil u maar één ding vragen," zei de kleine vogel.
"Wat wil je weten?" vroeg God.
"Waarom moet ik roodborstje heten, als ik van mijn snavel tot de punt van mijn staart helemaal grauw ben? Waarom word ik roodborstje genoemd, als ik geen enkele rode veer bezit?" Het vogeltje zag God smekend aan met zijn zwarte oogjes en draaide heen en weer. Om zich heen zag hij fazanten, helemaal rood met wat goudstof besprenkeld, papegaaien met weelderige rode halskragen en hanen met rode kammen, om nog maar te zwijgen van vlinders, goudvissen en rozen.
Natuurlijk dacht hij eraan hoe weinig er maar nodig was - maar één druppeltje verf - om hem tot de mooie vogel te maken, waar zijn naam bij paste.
"Waarom moet ik roodborstje heten, terwijl ik helemaal grijs ben?" vroeg de vogel opnieuw. En hij verwachtte dat God zou zeggen: "Ach, vriendje, ik zie dat ik vergeten heb je borstveren rood te schilderen, wacht maar even, dan is het zo klaar." Maar God lachte alleen maar stil en zei: "Ik heb je roodborstje genoemd en roodborstje zul je heten. Maar je moet zelf maar zien, dat je je rode borstveren verdient." Toen hief God zijn hand op en liet de vogel opnieuw uitvliegen.
In diep gepeins vloog de vogel in het paradijs rond. Wat zou een kleine vogel als hij kunnen doen om zich rode veren te verwerven? Het enige wat hij kon bedenken was in een doornstruik te gaan wonen. Daarom begon hij een nest te bouwen tussen de stekels van een dichte doornstruik. Het was alsof hij verwachtte, dat een rozenblad zich bij zijn keel zou vastzetten en die zou kleuren.
Een oneindige hoeveelheid jaren was verstreken sinds die dag, de heerlijkste ter

wereld. Sindsdien hadden mensen en dieren het paradijs verlaten en zich over de aarde verspreid. De mensen hadden inmiddels geleerd om het veld te ontginnen en de zee te bevaren. Ze hadden zich kleren en versierselen aangeschaft en al lang geleden geleerd om grote tempels en machtige steden te bouwen, zoals Thebe, Rome en Jeruzalem.

Toen brak een nieuwe dag aan, die ook lang herdacht zou worden in de geschiedenis van de aarde. Op de morgen van die dag zat vogel Roodborst op een kleine, kale heuvel buiten de muren van Jeruzalem te zingen voor zijn jongen, die midden in een lage doornstruik in een nestje lagen. Het roodborstje vertelde zijn kleintjes over de wonderbare dag van de schepping en hoe hij zijn naam had gekregen, net zoals alle roodborstjes hadden gedaan vanaf het eerste, dat Gods woord had gehoord en was opgevlogen van zijn hand.
"En kijk nu toch eens," besloot hij treurig. "Zoveel jaren zijn verstreken, zoveel rozen hebben gebloeid en zoveel jonge vogels zijn uit hun ei gekropen, sinds de dag van de schepping, dat niemand ze kan tellen en nog altijd is het roodborstje een kleine, grijze vogel. Het is hem nog steeds niet gelukt zijn rode borstveren te verwerven." De jongen sperden hun snavel wijd open en vroegen of hun voorvaderen niet geprobeerd hadden iets groots te verrichten, om zo die onschatbare rode kleur voor zich te winnen.
"We hebben alles gedaan wat we konden," zei het vogeltje, "maar alles is mislukt. Meteen al het eerste roodborstje ontmoette eens een andere vogel, die sprekend op hem leek en waarvan hij meteen zoveel begon te houden, dat hij zijn borst voelde gloeien. Och, dacht hij toen, nu begrijp ik het! Het is de bedoeling van God, dat ik met zoveel warmte zal liefhebben, dat mijn borstveren rood worden door de gloed van de liefde, die in mijn hart woont. Maar het lukte hem niet, zoals het niemand na hem lukte en zoals het ook jullie niet zal lukken." De jongen tjilpten bedroefd en begonnen er al over te treuren, dat die rode kleur nimmer hun donzige borstjes zou sieren.
"Ook op het zingen hebben wij onze hoop gevestigd," zei de oude vogel nu in lange, gerekte tonen. "Meteen al het eerste roodborstje zong zo, dat zijn borst van verrukking zwol en hij opnieuw begon te hopen. Ach, dacht hij, het is de zangersgloed, die in mijn ziel woont, die mijn borstveren rood zal verven. Maar het lukte hem niet, zoals het niemand na hem lukte en zoals het ook jullie niet zal lukken." Opnieuw klonk een droevig gepiep uit de halfnaakte keeltjes van de jongen.

"We hebben ook gehoopt op onze moed en onze dapperheid," zei de vogel. "Meteen al het eerste roodborstje streed dapper met andere vogels en zijn borst vlamde van strijdlust. Ach, dacht hij, mijn borstveren zullen rood worden van de strijdlust die in mijn hart gloeit. Maar het lukte hem niet, zoals het niemand na hem lukte en zoals het ook jullie niet zal lukken." De jongen piepten heel moedig, dat ze toch wilden proberen het voorrecht te verwerven, waarnaar het roodborstje al die lange jaren had verlangd. Maar de oude vogel antwoordde hun droevig, dat dit onmogelijk was. Hoe konden zij die hoop koesteren, waar vele uitstekende voorvaderen het doel niet hadden kunnen bereiken? Wat konden ze meer doen dan zingen, liefhebben en vechten? Wat konden...
De vogel hield midden in die zin op, want uit een van de poorten van Jeruzalem kwam een menigte mensen naar buiten en iedereen liep snel naar de heuvel, waar de vogel zijn nest had. Het waren ruiters op trotse paarden, krijgslieden met lange speren, beulsknechten met hamers en spijkers, waardig voorttrekkende priesters en rechters, huilende vrouwen, maar vooral een troep wild rondspringend, loslopend volk, een afschuwelijk schreeuwende bende straatslijpers. Een klein grijs vogeltje zat trillend op de rand van zijn nest. Het was bang dat de doornstruik ieder moment vertrapt en zijn jongen gedood zouden worden.

"Wees voorzichtig!" riep hij de weerloze diertjes toe. "Kruip dicht bij elkaar en wees doodstil. Er komt een paard aan, dat dwars over ons heen zal gaan, en een soldaat met sandalen met ijzeren zolen. Er komt een hele woeste bende aanstormen." Opeens hield de vogel op met waarschuwen en bleef doodstil zitten. Bijna vergat hij het gevaar waarin hij verkeerde.

Plotseling sprong hij in het nest en spreidde zijn vleugels over zijn jongen uit. "Nee, dit is al te vreselijk," zei hij, "ik wil niet dat jullie dit zien. Daar komen drie misdadigers aan, die gekruisigd moeten worden." En hij spreidde zijn vleugels nog verder uit, zodat de jongen niets konden zien. Ze hoorden alleen de dreunende hamerslagen, de jammerkreten en het wilde gejoel van het volk.

Met ogen groot van ontzetting volgde het roodborstje het hele schouwspel, terwijl hij niet in staat was zijn blik van de drie ongelukkigen af te wenden.

"Wat zijn de mensen wreed," zei de vogel na een poosje. "Het is hun nog niet genoeg die arme schepsels aan het kruis te nagelen. Nee, ze hebben op het hoofd van die ene ook nog een kroon van scherpe doornen gezet."

"Ik zie dat de doornen zijn voorhoofd hebben verwond, zodat zijn bloed vloeit," ging hij voort. "En die man is zo kalm en kijkt met zulke zachte ogen om zich heen, dat iedereen wel van hem moet houden. Het is alsof een pijl mijn hart doorboort, nu ik hem zie lijden." Het vogeltje begon steeds meer medelijden te krijgen met de man die de doornenkroon droeg.
Als ik mijn broeder de arend was, dacht hij, zou ik de spijkers uit zijn handen rukken en met mijn sterke klauwen iedereen op de vlucht jagen, die hem pijnigt. Toen hij zag hoe het bloed langs het voorhoofd van de gekruisigde vloeide, kon hij niet langer stil in zijn nest blijven zitten. Ook al ben ik klein en zwak, toch kan ik wel iets voor die arme gemartelde doen, dacht de vogel, verliet het nest en steeg op in de lucht, waarbij hij grote kringen rond de gekruisigde beschreef. Hij zweefde verschillende keren om hem heen zonder dichterbij te komen, want hij was een schuwe, kleine vogel, die het nog nooit gewaagd had dicht bij een mens te komen.
Langzamerhand vatte hij moed, vloog naar hem toe en trok met zijn snavel de doorn uit, die in het voorhoofd van de gekruisigde was gedrongen. En terwijl hij dit deed, viel een druppel bloed van de gekruisigde op de borst van de vogel. De druppel breidde zich snel uit en kleurde al zijn tere borstveertjes.
De gekruisigde opende zijn lippen en fluisterde de vogel toe: "Door uw barmhartigheid hebt u nu verworven, waar uw voorvaderen sinds de schepping van de wereld naar gestreefd hebben." Zodra de vogel in zijn nest terugkwam, riepen zijn jongen hem toe: "Uw borst is rood, uw veren zijn roder dan rozen!" - "Dat is alleen maar een druppel bloed van het voorhoofd van die arme man. Die verdwijnt zodra ik me in een beek of een heldere bron baad." Maar hoe het vogeltje ook baadde, de rode kleur week niet meer van zijn borst.
En toen zijn jongen volwassen waren, vertoonden ook hun borstveren die schitterend rode kleur, zoals die tot op de dag van vandaag op de keel en de borst van ieder roodborstje te zien is.
* * * EINDE * * *


De Letter P

Pepernotenpiet

 



Pieterbaas heeft veel pret en plezier

De Letter N

De letter N

 

Naald

 

Voor het verhaal, zie het verhaal voor meerdere letterbeelden.

 

N

Tante Nel naait negen lakens met een dunne naald.










Met een nog dunnere naald naait nette Nelly nu nog een laken naast de nuwe laken van tante Nel.