vrijdag 18 juni 2010

De Letter M

M – Maria’s mantel


(aangepast vanuit het verhaal van Hermien IJzerman)

Herodes wacht op bericht van de soldaten. Ze zijn op zoek naar het kindje waarover Herodes gehoord had dat hij op een dag koning zou zijn van het land. Dat wil Herodes natuurlijk liever niet. Daarom heeft hij opdracht gegeven dat de soldaten het kindje moeten zoeken en om het leven brengen. Alle kindjes jonger als twee jaar moeten dood, dacht Herodes. Dan kon hij zeker weten dat er geen nieuwe koning komt om zijn troon af te pakken!

Maar Jozef en Maria zijn al gewaarschuwd. Een engel kwam in een droom aan Jozef vertellen dat ze moesten vluchten. Ze vertelden aan niemand waar ze heen gingen. Maria dacht: “mijn mond moet mijn geheim bewaren”. Ze zijn onderweg naar Egypte. Het is een lange en gevaarlijke weg. Ze moeten door de hete, dorre woestijn lopen. Er zij veel duinen, dat zijn bergen van zand. Vaak moeten zij hun weg omhoog banen tegen de kant van een duin. Wanneer zij boven aankomen moeten zij weer tegen de schuine duin naar beneden klimmen. Het is geen gemakkelijke tocht! Er is haast geen water te vinden en weinig planten of bomen die schaduw bieden. Lange stukken moeten zij in de brandende zon lopen. S’ nachts is het bitterkoud. Gelukkig kan Maria haar kindje en zichzelf dan warm omvouwen met haar groot, wijde mantel.
Maria zit op het ezeltje en houdt het kindje dicht bij zich. Over zijn hoofdje heeft zij haar mantel gespreid zodat de brandende zon niet op zijn hoofdje schijnt en zijn tere huidje verbrandt. Soms zijn er zandstormen, wanneer de wind hard waait. De mantel beschermt het kindje zodat de zandkorrels niet in zijn oogjes komen. De mantel van Maria heeft een prachtige blauwe kleur. Maar tijdens het wandelen is het al een beetje vies geworden, het lijkt al een beetje bruin! Wanneer wij weer een waterbron vinden, dacht Maria, zal ik de mantel maar een keertje moeten wassen. In de warme zon zal het snel drogen. Maar intussen helpt het om mijn kindje te beschermen.
Op een keer hoorden Maria en Jozef ineens stemmen. De stemmen kwamen van achter een hoge duin vlakbij. Ze schrokken heel erg hiervan. Het waren vast de soldaten van Herodes, op zoek naar het kindje! Zover als zij konden zien waren er alleen uitgestrekte zandvlakten en zandduinen. Er was nergens schuilplaats. Wat moesten ze nu doen?
“Maria”, zei Jozef, “geef mij snel jouw mantel. Ik zal mijn wandelstok in het zand planten en dan de mantel er overheen gooien. Dan maken wij er een tentje van. Jij kan dan met het kindje in de tent schuilen. Ik zal aan de buitenkant wat zand over de mantel heen strooien, en dan lijkt het net een kleine zandheuvel. Dan kruip ik ook in de tent. Hopelijk zien de soldaten ons dan niet zo makkelijk raak. Dat was een goed plan. Jozef n Maria zaten heel stil met het kindje in de manteltent. Het ezeltje was te groot en moest buiten blijven wachten.
Toen Jozef het zand op de mantel strooiden, scheen de zon ineens verblindend helder. De zandkorreltjes glansden en schitterden en straalden in het zonlicht. Het was zo licht, dat men bijna niets meer konden zien!

 Afb. uit het boekje van Hermien IJzerman - Lettersprookjes


Toen kwamen de soldaten in zicht. Zij zagen het manteltentje niet in het schitterende zonlicht. De enige dat zij nog zagen, was het ezeltje. “Kijk”, zei een van de soldaten, “een ezel! Zullen wij het meenemen?” “Welnee”, antwoorden de anderen. “Wij hebben genoeg pakdieren, en dan hebben wij nog een dier om eten en drinken voor te vinden. Laat dat ezeltje maar waar het is, het brengt alleen maar meer zorgen met zich mee!” En de soldaten liepen verder en verdwenen al gauw achter de volgende duin.
Toen het weer veilig was om uit de tent te komen, schudde Jozef de mantel weer goed uit. Hij zorgde dat er geen zandkorrels meer in waren en Maria vouwde het weer om zichzelf en het kindje. Zo liepen zij verder en tegen de avond kwamen zij bij hun bestemming aan. Uiteindelijk waren zij veilig in Egypte en konden de soldaten van Herodes ze niets meer doen.



De mantel van Maria

De mantel van Maria heilig,

Het houdt het kindje warm en veilig.

Beschermt hem tegen weer en wind

Het helpt hem, waar hij zich ook mag bevindt.

Het wordt een tentje, als het moet,

het kindje slaapt er stil en zoet.


M

Een ander voorbeeld - de mantel van de koning Of M voor mond: Mijn mond moet mijn geheim bewaren.

 

De langere verhalen nemen veel tijd om voor te bereiden en aan te bieden op een wijze dat het ook echt voor de kinderen beleefd baar worden. Hoewel het altijd goed is om naar wegen te zoeken waarop ook deze kinderen de verhalen mogen beleven, kunnen wij soms andere mogelijkheden vinden.
Voor de kinderen met een ontwikkelingsachterstand, zijn kleine verhaalversjes een fijne aanknoping om met de klankbeelden kennis te maken. Het is dus geen reden om daar niet mee aan de slag te gaan, wanneer de kinderen zo een lang verhaal niet kunnen volgen! Mits de leerkracht het zelf doorleeft heeft en op een kunstzinnige wijze aangeboden, komt de beelden even goed echt tot leven. De versjes van Hermien IJzerman lenen ze hier uitstekend voor:













Het Mi-ma-molletje
Dat maakt zijn mollenholletje
Met moeite en met vlijt.
Het mi-ma-molletje
Graaft moeizaam lange tijd...
Daar komt de kleine Miezemuis,
Die zegt: "Ik maak hier mijn muizenhuis.
Mijn voorraadschuurtje is al vol,
Dus kom ik in jouw mollenhol...
Owé, owé, mort mi-ma-mol,
Dat is niet dol, niet dol, dol, dol…

Leuk om met handpoppen of vingerpoppen te doen. Met een beetje verbeeldingskracht kan de hol van de mol een M vormen.







De letter L

  De letter L

Licht


Lieve Liesje leerde Lotje lopen langs de lange lindelaan
Maar toen Lotje niet wou lopen
Toen liet Liesje Lotje staan


                          lamp *  licht * vlam


L
Lichtje, lichtje straal
Ik wil niet verdwaal
Laat je licht mij helpen
Mijn doel te vinden






Lichtje, lichtje laat je vlam glanzen en stralen.

Ook een kaars kan gebruikt worden om de L weer te geven, met een verhaaltje over kaarslicht daar omheen gewoven.
Lieve lente laat ons niet alleen





De Letter K

Er zijn overal wel verhalen over koningen te vinden. Hier volg een verhaal uit de bundel van Hermien Ijzerman. De beelden die door haar gebruikt worden zijn de K (koning) en de J (jachthoorn).















De jachthoorn van Koning Karel

Grote drukte heerste in de binnenplaats van Koning Karel ’s hof. De heraut blies op zijn hoorn en dat was de teken dat het jacht begon. De kleurige ruiterstoet reed over de ophaalbrug. De blaffende honden sprongen vooruit.

Voorop reed Koning Karel. Dan volgden de valkeniers met de valken op hun hand. Daarna de ridders met pijl en boog. De zon schitterde op de glinsterende helmen en lansen, terwijl de pluimen en vanen in de wind wapperden.

Snuivend liep het paard van de koning achter de honden aan, tussen de bosjes en dichte struiken door.

Ineens klonk er een donderende slag. Het paard schrok op en steigerde.

Verschrikt keek de koning nar de lucht. Die zag er nu donker en dreigend uit. Het weer is veranderd. Er komt onweer! Wij zullen een schuilplaats moeten vinden.


De koning was een beetje afgedwaald van zijn onderdanen. Hij vond een veilige plek onder een overhangende krans. Ineens hoorde hij van achter de rotsen vreemde muziek. Het was niet mooi maar erg wild. De koning werd nieuwsgierig en klopte tegen de rots met zijn zwaard. Ineens schoof de rots weg. Koning Karel kon zijn ogen en oren niet geloven. Hij stond nu in een grot en overal dansten en krijsten lelijke trollen en venijnige elven! Zij greep de koning en wilde hem op het vuur braden – “dat wordt een lekker hapje!” riepen zij uit. Maar de koning smeekte hen om zijn leven te sparen. Kijk, ik heb een prachtige jachthoorn met edelstenen versierd en een gouden mondstuk! Jullie mogen het hebben. Het kan eten op de tafel toveren. Maar dan moeten jullie eerst wachten tot ik weg ben. Wanneer jullie er op blazen voor ik weg ben, komen er wolven en beren om jullie te verscheuren! Dat leek de trollen en elven wel een fijn idee, en zij lieten de koning vrij. Zo snel als de wind sprong hij op zijn paard en reed terug naar waar hij dacht zijn onderdanen te vinden.

Ineens hoorde hij een jachthoorn in de verte. De koning ging op het geluid af. Maar hij kwam alleen een oude kluizenaar tegen. Ik ben mijn jachthoorn kwijt, zei de koning tegen de oude man. Zo kan ik mijn makkers niet terug vinden. Hij vertelde aan de oude wijze man wat hem overkwam. Ik heb wel een jachthoorn voor u. Hij is nog veel kostbaarder dan die van u. De oude man gaf aan de koning een oude, lelijk jachthoorn. Het had geeneens enig versiering. U spot met mij! Riep de koning boos uit. Maar het is wel een kostbaar hoorn, zei de oude man. Blaas er eens op. De koning blies op de hoorn, maar er kwam alleen een akelig krasse toon uit. De koning begreep er niets van. Dat was niet de hoorn dat hij hoorde! Maar de oude man nam de hoorn vast en blies er op. De mooiste, zuiverste, prachtige tonen kwamen er uit! Neem deze jachthoorn mee, Koning Karel. Hij kan alleen zuivere muziek maken wanneer iemand met een zuiver, goed hart er op speelt. Leer hoe om zuiver klanken voort te brengen. Dat kan als jij jou hart ook zuiver maakt. Probeer om een wijze mens te worden.


En de koning nam de jachthoorn mee. Iedere dag speelde hij er op. Eerst klonken er alleen lelijke valse tonen wanneer de koning speelde. Maar de koning werd ook steeds wijzer en hij kreeg een goed hart. Dat kwam omdat hij zo hard probeerde om mooi muziek voort te brengen op zijn jachthoorn. En het lukte hem uiteindelijk!




K De koning met zijn gouden kroon komt kijken.










De Letter J

De jachthoorn van Koning Karel



Verhaal en afb. uit Lettersprookjes van Hermien Ijzerman

Grote drukte heerste in de binnenplaats van Koning Karel’s hof. De heraut blies op zijn hoorn en dat was de teken dat de jacht begon. De kleurige ruiterstoet reed over de ophaalbrug. De blaffende honden sprongen vooruit.

Voorop reed Koning Karel. Dan volgden de valkeniers met de valken op hun hand. Daarna de ridders met pijl en boog. De zon schitterde op de glinsterende helmen en lansen, terwijl de pluimen en vanen in de wind wapperden.

Snuivend liep het paard van de koning achter de honden aan, tussen de bosjes en dichte struiken door.
Ineens klonk er een donderende slag. Het paard schrok op en steigerde.

Verschrikt keek de koning nar de lucht. Die zag er nu donker en dreigend uit. Het weer is veranderd. Er komt onweer! Wij zullen een schuilplaats moeten vinden.

De koning was een beetje afgedwaald van zijn onderdanen. Hij vond een veilige plek onder een overhangende krans. Ineens hoorde hij van achter de rotsen vreemde muziek. Het was niet mooi maar erg wild. De koning werd nieuwsgierig en klopte tegen de rots met zijn zwaard. Ineens schoof de rots weg. Koning Karel kon zijn ogen en oren niet geloven. Hij stond nu in een grot en overal dansten en krijsen lelijke trollen en venijnige elven! Zij greep de koning en wilde hem op het vuur braden – “dat wordt een lekker hapje!” riepen zij uit. Maar de koning smeekte hen om zijn leven te sparen. Kijk, ik heb een prachtige jachthoorn met edelstenen versierd en een gouden mondstuk! Jullie mogen het hebben. Het kan eten op de tafel toveren. Maar dan moeten jullie eerst wachten tot ik weg ben. Wanneer jullie er op blazen voor ik weg ben, komen er wolven en beren om jullie te verscheuren! Dat leek de trollen en elven wel een fijn idee, en zij lieten de koning vrij. Zo snel als de wind sprong hij op zijn paard en reed terug naar waar hij dacht zijn onderdanen te vinden.



Ineens hoorde hij een jachthoorn in de verte. De koning ging op het geluid af. Maar hij kwam alleen een oude kluizenaar tegen. Ik ben mijn jachthoorn kwijt, zei de koning tegen de oude man. Zo kan ik mijn makkers niet terug vinden. Hij vertelde aan de oude wijze man wat hem overkwam. Ik heb wel een jachthoorn voor u. Hij is nog veel kostbaarder als die van u. De oude man gaf aan de koning een oud, lelijk jachthoorn. Het had geeneens enig versiering. U spot met mij! Riep de koning boos uit. Maar het is wel een kostbaar hoorn, zei de oude man. Blaas er eens op. De koning blies op de hoorn, maar er kwam alleen een akelig krasse toon uit. De koning begreep er niets van. Dat was niet de hoorn dat hij hoorde! Maar de oude man nam de hoorn vast en blies er op. De mooiste, zuiverste, prachtige tonen kwamen er uit! Neem deze jachthoorn mee, Koning Karel. Hij kan alleen zuivere muziek maken wanneer iemand met een zuiver, goed hart er op speelt. Leer hoe om zuiver klanken voort te brengen. Dat kan als jij jou hart ook zuiver maakt. Probeer om een wijze mens te worden.


En de koning nam de jachthoorn mee. Iedere dag speelde hij er op. Eerst klonken er alleen lelijke valse tonen wanneer de koning speelde. Maar de koning werd ook steeds wijzer en hij kreeg een goed hart. Dat kwam omdat hij zo hard probeerde om mooi muziek voort te brengen op zijn jachthoorn. En het lukte hem uiteindelijk!



J




De jonge jager haalt de jachthoorn van de koning.



De Letter H


Hoor hoe de wind waait
Om de hoeken van het huis.
Haast je naar huis!
Ahoei ahoei
Huilt de wind
Naar huis, naar huis, gezwind!



Verhaaltje van Goudlokje


Liedje hierbij: In Holland staat een huis

In Holland staat een huis

In Holland staat een huis
In Holland staat een huis
In Holland staat een huis, ja, ja
Van je singela singela hopsasa
In Holland staat een huis
In Holland staat een huis

In dat huis daar woont een heer
In dat huis daar woont een heer
In dat huis daar woont een heer, ja, ja
Van je singela singela hopsasa
In dat huis daar woont een heer
In dat huis daar woont een heer

En die heer die kiest een vrouw
En die heer die kiest een vrouw
En die heer die kiest een vrouw, ja, ja
Van je singela singela hopsasa
En die heer die kiest een vrouw
En die heer die kiest een vrouw

En die vrouw die kiest een kind
En die vrouw die kiest een kind
En die vrouw die kiest een kind, ja, ja
Van je singela singela hopsasa
En die vrouw die kiest een kind
En die vrouw die kiest een kind

En dat kind dat kiest een hond (woef-woef)
En dat kind dat kiest een hond (woef-woef)
En dat kind dat kiest een hond, ja, ja
Van je singela singela hopsasa
En dat kind dat kiest een hond
En dat kind dat kiest een hond

En die hond die kiest een kat (miaow)
En die hond die kiest een kat (miaow)
En die hond die kiest een kat, ja, ja
Van je singela singela hopsasa
En die hond die kiest een kat
En die hond die kiest een kat

En die kat die kiest een muis (iiiiiieeeeehhhh!)
En die kat die kiest een muis (iiiiieeeeeehhhh!)
En die kat die kiest een muis, ja, ja
Van je singela singela hopsasa
En die kat die kiest een muis
En die kat die kiest een muis

En we jagen de muis uit huis
En we jagen de muis uit huis
En we jagen de muis uit huis, ja, ja
Van je singela singela hopsasa
En we jagen de muis uit huis
En we jagen de muis uit huis

In Holland staat een huis
In Holland staat een huis
In Holland staat een huis, ja, ja
Van je singela singela hopsasa
In Holland staat een huis
In Holland staat een huis 

Verhaaltje van Goudlokje



Goudlokje de drie beren


Er was eens een familie van beren die leefde in een knus huisje in het bos. Er was een hele grote Papa Beer, een middelgrote Mama Beer, en een kleine Baby Beer.
Op een morgen kookte Mama Beer pap voor het ontbijt. Maar omdat de pap te heet was om te eten, besloten de drie beren om een wandeling in het bos te maken terwijl de pap afgekoelde.
Ze waren nog niet lang weg, toen een klein meisje genaamd Goudlokje langs kwam. Ze was bloemen aan het plukken en zo het bos ingelopen. Toen ze het huisje van de drie beren zag, glimlachte ze en klapte in haar handen. "Wat mooi!" riep ze. "Ik vraag me af wie daar woont? ' Ze ging op haar tenen staan en keek door het venster. Er leek niemand thuis te zijn, dus Goudlokje opende de deur en ging naar binnen!
Het eerste wat ze zag was de tafel met drie kommen pap, een hele grote kom voor Papa Beer, een middelgrote kom voor Mama Beer, en een klein kommetje voor Baby Beer. "Oh, die pap ruikt goed!" zei Goldilocks. En omdat ze een beetje honger was, pakte ze een lepel en nam een hapje van de pap in de grote kom.
"OUCH!" riep ze uit, en liet de lepel vallen. "Die pap is veel te heet!"
Ze proefde van de pap in de middelgrote kom. Maar die pap was veel te koud.
Toen nam ze een hapje van de pap in het kleine kommetje. "Mmmmmm," zei ze. "Deze pap is precies goed!" dus ze at alles op!
Toen zag Goudlokje de drie stoelen voor de open haard staan, een hele grote stoel voor Papa Beer, een middelgrote stoel voor Mama Beer, en een klein stoeltje voor Baby Beer. "Oh, wat zou het leuk zijn om even te gaan zitten!" dacht Goudlokje.
Ze klom in de grote stoel die van Papa Beer was. "Oh, nee!" zei ze. "Deze stoel is veel te hard."
Ze ging in Mama Beer's middelgrote stoel zitten. "Oh, nee," zei ze. "Deze stoel is veel te zacht!"
Vervolgens ging ze in het kleine stoeltje van Baby Beer zitten. "Ahhhh," zei ze met een glimlach. "Deze stoel is precies goed!"
Op dat moment klonk er een luide KRAAAK! en het kleine stoeltje brak dwars doormidden!
Goudlokje stond op en klopte zich af. Daarna klom ze naar boven, naar de slaapkamer. Daar zag ze drie bedden op een rij staan. "O," zei ze, gapend, "Ik ben slaperig."
Dus trok ze de dekens open en klom in Papa Beer's hele grote bed. Maar ze sprong er snel weer uit. "Dat bed is veel te hard!" zei ze.
Toen probeerde ze het middelgrote bed van Mama Beer. Maar dat bed was te zacht.
Ze klom in Baby Beer's klein bedje. Het was precies goed. Al snel viel Goudlokje in een diepe slaap!

Even later kwamen de drie beren terug van hun wandeling. Ze waren erg hongerig en keken uit naar het eten van de mooie kommen met smakelijke pap.
Plotseling riep Papa Beer met zijn grote stem, "Iemand heeft van mijn pap gegeten!"
Toen riep Mama Beer met haar middelgrote stem, "Ieand heeft van mijn pap gegeten!"
En Baby Beer riep met zijn klein stemmetje, "Iemand heeft van mijn pap gegeten. En heeft het helemaal opgegeten!"
Toen zagen de drie beren hun stoelen bij de open haard.
"Iemand heeft in mijn stoel gezeten!" riep Papa Beer met zijn hele grote stem.
"Iemand heeft in mijn stoel gezeten!" riep Mama Beer met haar middelgrote stem.
"Iemand heeft in mijn stoel gezeten!" riep Baby Beer met zijn piepkleine stem. "En nu is hij gebroken!"
Toen gingen de drie beren ging naar boven naar de slaapkamer.
"Iemand heeft in mijn bed geslapen!" riep Papa Beer met zijn hele grote stem.
"En iemand heeft in mijn bed geslapen!" riep Mamma Beer in haar middelgrote stem.
"Iemand heeft in mijn bed geslapen!," riep Baby Beer met zijn piepkleine stem. "En hier is ze!"
Op dat moment werd Goudlokje wakker! Toen zag ze de drie beren om haar heen staan, ze sprong uit bed, rende de trap af en de deur uit.
Ze wilde niet stoppen totdat ze weer thuis was.
En de drie beren zagen Goudlokje nooit meer terug!









De letter G

De gouden gans
 
De gebroeders Grimm
Er was eens een man die drie zoons had, en de jongste van hen heette de domoor. En hij werd bespot en veracht en bij iedere gelegenheid achter gesteld. Eens op een keer ging de oudste naar het bos om hout te hakken; vóór hij weg ging, gaf zijn moeder hem nog een heerlijke eierkoek mee en een fles wijn, zodat hij geen honger en geen dorst zou hebben. In het bos ontmoette hij een oud, grijs mannetje; dat wenste hem goedendag en zei: "Geef me toch een stuk koek uit je tas en laat mij een slok van je wijn drinken, ik heb zo’n honger en zo’n dorst." De wijze zoon antwoordde: "Als ik jou mijn koek en mijn wijn geef, dan heb ik zelf niets meer, ga toch weg!" en hij liet het mannetje staan en ging verder. Hij begon de takken van een boom af te hakken, maar het duurde niet lang of hij deed een misslag. De bijl drong in zijn arm en hij moest naar huis om zich te laten verbinden. Maar dat was door het grijze mannetje gekomen!

Toen ging de tweede zoon naar het bos en de moeder gaf hem net als de oudste een heerlijke eierkoek mee en een fles wijn. Ook hij kwam het oude grijze mannetje tegen dat hem om een stuk koek en een slok wijn vroeg. Maar de tweede zoon zei ook heel verstandig: "Wat ik weggeef, gaat van mijn eigen portie af, ga toch weg!" en hij liet het mannetje staan en ging verder. De straf bleef niet uit. Toen hij een paar slagen had gemaakt, hakte hij in zijn eigen been, en moest hij naar huis gedragen worden.

Nu zei de domoor: "Vader, laat mij er eens op uitgaan om hout te hakken." De vader zei: "Je broers hebben allebei ongelukken gemaakt, bemoei jij je er maar niet mee, jij kunt er toch niets van." Maar de domoor smeekte zo lang tot hij eindelijk zei: "Vooruit, ga dan maar, door schade en schande moet je wijs worden." De moeder gaf hem een koek mee van water en deeg en gebakken in warme as, en ook een fles zuur bier. Hij kwam in het bos in. Daar zag hij het oude, grijze mannetje, dat hem goedendag zei en sprak: "Geef me een stuk koek en een laat me uit je fles drinken, want ik heb honger en dorst." De domoor antwoordde: "Ik heb maar een gewone koek en zuur bier, maar als je dat niet erg vindt, laten we dan samen wat eten." Zo gingen ze zitten, en toen de domoor zijn koek voor de dag haalde, was het een heerlijke eierkoek, en het zure bier was lekkere wijn. Nu aten ze en dronken ze en toen zei het mannetje: "Omdat je zo’n goed hart hebt en graag iets afstaat wat je bezit, zal ik je geluk geven. Daar staat een oude boom, hak die om, en tussen de wortels zul je wat vinden.". Toen nam het mannetje afscheid.
De domoor ging de boom omhakken, en toen hij omviel, zat er tussen de wortels een gans, die veren had van zuiver goud. Hij tilde haar op, nam haar mee en ging naar de herberg om te overnachten. De waard echter had drie dochters die de gans zagen en nieuwsgierig werden, omdat het zo’n wonderlijke vogel was, en ze hadden dolgraag één van zijn gouden veren gehad. De oudste dacht: "Er komt wel een moment, waarop ik hem een veer kan uittrekken," en toen de domoor weg was gegaan, pakte ze de gans bij de vleugel, maar haar vinger en haar hand bleven eraan vastkleven. Kort daarop kwam de tweede dochter, die had geen andere gedachte dan een gouden veer te pakken; maar nauwelijks had ze haar zuster aangeraakt of ze zat vast. Tenslotte kwam ook de derde dochter met dezelfde bedoelingen. De anderen riepen: "Blijf eraf, in ‘s hemelsnaam, blijf eraf!" Maar ze begreep niet, waarom ze er afblijven moest en dacht: "Als zij er wat van hebben, dan wil ik dat ook," en ze liep er naar toe... maar zodra ze haar zuster had aangeraakt, bleef ze aan haar vastkleven. Zo moesten ze alle drie ‘s nachts bij de gans blijven.
De volgende morgen nam de domoor de gans onder zijn arm, ging verder en trok zich van de drie meisjes die er aan vastzaten, niets aan. Ze moesten maar achter hem aan lopen, naar links of naar rechts, net zoals het hem uitkwam. Midden op het veld kwam hij de pastoor tegen, en toen die de optocht zag, zei hij: "Schamen jullie je niet, meisjes, wat moeten jullie die jongen zo nalopen, is dat gepast?" En hij nam de jongste bij de hand om haar weg te trekken, maar toen hij haar aanraakte, bleef hij ook vastzitten en moest er zelf achteraan lopen. Het duurde niet lang of daar kwam de koster en die zag hoe de pastoor achter die drie meisjes aan liep. Hij was verbaasd en riep: "Hé, pastoor, waar gaat u zo snel naartoe? Vergeet niet dat we vandaag nog een kind moeten dopen," en hij liep erheen en trok hem aan zijn mouw, maar ook hij bleef vastkleven. Toen die vijf zo achter elkaar aandraafden, kwamen er twee boeren met hun schoppen van het land: de pastoor riep hun toe en vroeg of zij hem en de koster los wilden maken. Maar nauwelijks hadden ze de koster aangeraakt, of ze zaten vast en zo liepen ze met z'n zevenen achter domoor en zijn gans aan.

Nu kwam hij in een stad. Daar was een koning en die had een dochter, en die was zo ernstig, dat niemand haar aan het lachen kon maken. Daarom had hij een wet uitgevaardigd: wie haar aan het lachen kon maken, die mocht met haar trouwen. Toen domoor dat hoorde, ging hij met zijn gans en de hele stoet naar de prinses, en toen zij die zeven mensen aldoor achter elkaar aan zag lopen, barstte ze in lachen uit en kon niet meer ophouden.


Nu wilde de domoor met haar trouwen, maar deze schoonzoon beviel de koning niet; hij maakte allerlei bezwaren en zei dat hij hem eerst een man moest brengen, die een kelder vol wijn leeg kon drinken. De domoor dacht toen aan het grijze mannetje, die zou hem wel helpen, en hij ging naar het bos en op de plek waar hij de boom had omgehakt, zag hij een man zitten met een heel verdrietig gezicht. De domoor vroeg wat hem zo bedroefd maakte, en toen antwoordde de man: "Ik heb zo’n verschrikkelijke dorst en ik kan hem niet lessen; koud water kan ik niet verdragen, ik heb al wel één vat wijn leeggedronken, maar wat is een druppel op een gloeiende plaat?" "Daar weet ik wel raad op," zei de domoor, "kom maar met mij mee, dan zal je meer dan genoeg krijgen." Dus bracht hij hem naar de kelder van de koning, en de man nam die grote vaten wijn en dronk en dronk, tot hij er pijn van in zijn zij kreeg. Voor de dag om was, had hij de hele kelder leeggedronken.


De domoor eiste wederom zijn bruid op, maar de koning ergerde zich, dat zo’n gewone jongen, die door iedereen domoor genoemd werd, zijn dochter in de wacht zou slepen, en hij stelde nieuwe voorwaarden. Eerst moest hij hem nog een man brengen, die een berg brood op kon eten. De domoor bedacht zich ditmaal niet lang, ging meteen naar het bos, en daar zat, op dezelfde plek, een man, die zijn buik met een riem insnoerde, een verdrietig gezicht trok en zei: "Ik heb een hele oven vol armen-brood gegeten, maar wat helpt dat, als je zo’n ontzettende honger hebt als ik: mijn maag is leeg en blijft leeg, en ik moet mij insnoeren om niet van honger te sterven!" De domoor was daar heel verheugd over en zei: "Kom maar mee, dan kan je nog eens eten...!" Hij bracht hem naar het hof van de koning, die al het meel uit het hele rijk had laten verzamelen en daarvan een reusachtige berg had laten bakken. Maar de man uit het bos ging er voor zitten, begon te eten, en in één dag was de hele berg verdwenen. Nu eiste de domoor zijn bruid ten derde male op, maar nog altijd zocht de koning een uitvlucht en wenste een schip dat zowel op het water als op het land kon varen: "Maar zodra je daarmee werkelijk aan komt zeilen," zei hij, "dan krijg je mijn dochter meteen tot vrouw." Domoor ging rechtstreeks naar het bos. Nu zat daar het oude grijze mannetje met wie hij zijn koek had gedeeld, en die zei: "Ik heb voor je gedronken en gegeten, ik zal je ook dat schip geven, alles, omdat je barmhartig tegen mij bent geweest." En toen gaf hij hem het schip dat voer over water en over land, en toen de koning dat zag, kon hij niet langer weigeren.


De bruiloft werd gevierd, en na de dood van de koning erfde de domoor het rijk en hij leefde met de prinses nog lange jaren heel gelukkig.

De Letter F


De Fakkel

















Verhaal uit lettersprookjes van Hermien Yzerman

Er leefde eens in de tijd, toen het kleine Jezuskind op aarde werd verwacht, een oude herder die Gallus heette. In de nacht, toen de herders op het open veld lagen en de engelen de boodschap van de geboorte van het kind Jezus brachten, was de oude Gallus niet bij hen. Hij was thuis, want hij waakte over zijn zieke kleinzoon. Heel de lange nacht zat hij daar. Het jongetje was ernstig ziek. Op een gegeven moment stond Gallus op om even frisse lucht te halen. Hij opende het deur van het huisje en stapte naar buiten. Hij keek omhoog naar de sterrenhemel en zag ineens een wonderlijke lichtschijn aan de avondhemel.

De oude man keek vol verbazing naar het licht. Waar zou het vandaan komen? Voor hij zelf goed begreep wat er gebeurde, begon hij in de richting van het licht te bewegen. Verder en verder van het huisje liep hij. Toen zag hij dat het licht van een heldere, schitterende ster vandaan kwam. Hij volgde de ster en liep steeds verder. Het licht lokte hem steeds verder en als in een droom liep hij door het veld.

Toen merkte de oude herder ineens dat het licht veel dichter was dan hij eerst dacht. Voor hem zweefde de ster nu over de weg. De weg ging naar Bethlehem.

Steeds verder voor hem uit zweefde de ster.. Eensklaps stond de ster stil boven een armelijke stal. Binnen hoor de herder vreemde geluiden. Hij gluurde door een schreef naar binnen – daar zag hij een man en een vrouw en een kleine kind. Het kind lag in een kribbe. Maar het meest wonderlijke was het licht dat om deze mensen heen straalde. Het leek wel of het licht van het kindje af straalde en heel de stal ermee vervulde. Zij werden omhuld door louter licht en kleur. En van boven keken een leerschare engelen naar binnen! Hier was werkelijk iets wonderlijks gebeurd!



De oude man trad binnen en knielde voor het kindje. Hij wist meteen dat het de lang verwachte Messias was. Ag, dacht hij, ik heb niet eens een geschenk meegenomen voor dit kindje!

Vlak bij de vader stond een oude stallantaarn. Hij wilde graag naar de herberg gaan om weer eens te vragen of er geen plaats was voor zijn vrouw en het pas geboren kindje. Maar het licht van de lantaren was uitgegaan en de vader van het kindje kon het maar niet weer aankrijgen. Zijn vuur houtjes waren nat geworden.

“Ik heb wel vuur voor jullie”, riep de oude herder blij uit. Dan had hij toch een geschenk! In zijn zak had hij namelijk zijn vuurstenen. Snel pakte hij wat stro en toen wreef hij de vuurstenen tegen elkaar. De vonkjes staken het stro in brand en zo kon de lantaren weer branden om licht te geven voor Jozef.

Ineens dacht de oude herder weer aan zijn zieke kleinkind, thuis in het kleine huisje waar hij met zijn dochter en haar man woonde. Hij besloot meteen weer te vertrekken. Hij had nu geel licht om hem te begeleiden, maar gelukkig was er een brandende lamp. De oude herder pakte een stok, draaide er een oud lap omheen en deed een beetje olie op de lap. Hij nam wat stro en stak de fakkel aan met vuur uit de lamp van Jozef.

Zo ging de oude herder weer naar huis. Het licht van zijn fakkel bleef branden tot hij thuis was en weer naast het bed van zijn kleinkind stond. Het had al lang uitgebrand moeten zijn! Het leek wel of de fakkel van het licht van dat kleine kindje in de stal met zich mee had gekregen! De vlammen van de fakkel straalde over het zieke jongen en gaf een wonderlijk, kleurvolle licht in het huisje van de herder. Toen maakte het kindje even zijn oogjes open en keek naar zijn opa. Zijn oogjes keken helder en gezond. Het kindje was niet meer in levensgevaar!

Toen kon de oude herder rustig naar bed gaan en de volgende dag was het jongetje weer helemaal gezond en wel.